Omgangsrecht; Contact tussen twee vuren

Het recht op omgang met kinderen is wettelijk vastgelegd. De praktijk is anders. Een pleidooi voor bemiddeling.

EEN GROEP gescheiden ouders is op een donderdagavond bijeengekomen in Tilburg. Het zijn vooral vaders, maar ook een paar moeders en zelfs een enkele grootvader. Eén ding hebben ze gemeen: ze mogen hun kind niet meer zien. Secretaris Philip Debbink opent de themabijeenkomst van de Stichting Kind en Omgang en refereert aan het lied van Elton John over de omgekomen prinses Diana.

“Laten we hopen dat onze kinderen niet als kaarsjes in de wind hoeven staan, maar dat hun vlammetje fier en recht omhoog kan branden. Niet uit woede, maar voorzichtig brandend, als de kaarsjes op een verjaarstaart.” Even is het stil. Er wordt geknikt en gestaard, een enkeling laat het hoofd hangen.

De spreker van de avond, T. Veldkamp, is als beleidsmedewerker verbonden aan de Raad voor de Kinderbescherming. Hij bevindt zich in het hol van de leeuw. Uit een onderzoek naar 'de praktijk van het omgangsrecht', uitgevoerd in opdracht van het ministerie van Justitie, bleek begin vorig jaar dat ouders zonder omgangsrecht hun kritiek vooral richten op de Kinderbescherming. De rechter neemt in hun ogen te vaak een advies van de raad klakkeloos over, terwijl de raad zelden erin zou slagen objectief onderzoek te verrichten. Op deze manier heeft de Kinderbescherming volgens ouders te veel macht.

Niet bekend

Net als de ouders constateert ook medewerker Veldkamp van de Kinderbescherming dat het omgangsrecht niet goed functioneert. De Raad zou meer moeten bemiddelen en een einde moeten maken aan het louter opvolgen van rechterlijke beschikkingen. “Ouders moeten zelf verantwoordelijk zijn voor de gevolgen van de scheiding, zeker als het gaat om de kinderen.” De overheid is wel verplicht de ouders te helpen bij het zoeken naar een oplossing, meent Veldkamp.

Zodra er kinderen zijn betrokken bij een echtscheiding ligt een juridische strijd over gezag en omgang op de loer. Eén ouder krijgt namelijk het gezag over de kinderen na de huwelijksontbinding. Om ervoor te zorgen dat ook de andere ouder het kind kan blijven zien, is de wet in 1990 gewijzigd. Het recht op omgang is toen wettelijk vastgelegd.

De wet noemt vier zogenoemde ontzeggingsgronden waarop kan worden afgeweken van het recht op omgang. De rechter kan hiertoe besluiten als de omgang ernstig nadeel oplevert voor de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van het kind. Ook wanneer de ouder niet in staat of ongeschikt is voor omgang, of wanneer omgang in strijd is met zwaarwegende belangen van het kind kan ervan worden afgezien. Ten slotte kunnnen kinderen vanaf twaalf jaar de rechter zelf overtuigen waarom zij hun vader of moeder niet meer willen zien.

Volgens twee in het familierecht gespecialiseerde juristen belanden ouders vaak in een machteloze positie: met wel de wet maar niet de rechter aan hun kant. “De wetswijziging uit 1990 heeft niets opgeleverd”, concludeert de in familie- en jeugdrecht gespecialiseerde advocaat P. Prinsen. “De rechter moet volgens de wet een regeling treffen of ontzeggen. Maar dan op een van de vier wettelijke ontzeggingsgronden.” De advocaat is van mening dat rechters in de praktijk omgang nogal eens ontzeggen zonder dat daarvoor een wettelijke grond aanwezig is.

Prinsen noemt een voorbeeld. “De niet-gezagsouder, meestal de vader, dient een verzoek in om een omgangsregeling met het kind. De moeder verweert zich zonder dat dat berust op een van de ontzeggingsgronden. De rechter zou in zo'n geval niet door de Raad voor de Kinderbescherming moeten laten uitzoeken of er grond is voor ontzegging. Zolang geen van de ontzeggingsgronden aannemelijk is gemaakt, hóórt omgang. Dus hoort er een beschikking te komen.”

Kinderrechters noemen het 'onzin' dat zij de wet niet goed zouden toepassen. “Omgang wordt alleen ontzegd als zich een ontzeggingsgrond voordoet zoals de wet deze omschrijft”, aldus W.H.J. Stemker Köster van de Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak. Ook advocate A.R.J. Mulder van de Vereniging Personen- en Familierecht meent dat enige nuancering gepast is. “Je kunt je afvragen of de wetswijziging veel heeft opgeleverd. Maar om te concluderen dat het aan de rechterlijke macht ligt, gaat me te ver. De rechter beslist in het belang van het kind en wil over het algemeen voorkomen dat een omgangsregeling tot stand komt zonder de instemming van de gezagsouder. Dan zit het kind tussen twee vuren.” Mulder vraagt zich af of de oplossing van de problemen met het omgangsrecht moet worden gezocht in wetgeving.

Advocaat Prinsen krijgt bijval van prof.dr. G.P. Hoefnagels, die sinds 24 jaar een scheidingsbemiddelingspraktijk in Rotterdam en Vorden heeft. “Het is de uitdrukkelijke bedoeling van de wetgever geweest dat de omgang doorgaat, ook als er geen of slechte communicatie is tussen de ouders. Maar in de praktijk gaat dat niet altijd zo.”

Gebrek aan communicatie kan wel degelijk een rol spelen bij het ontzeggen van omgang, vindt rechter Stemker Köster. Het gebrek aan communicatie kan namelijk zo erg zijn dat een omgangsregeling ernstig nadeel zou kunnen opleveren voor de ontwikkeling van het kind. In zo'n geval is er volgens Stemker Köster op grond van de wet reden het omgangsrecht te ontzeggen.

Veel scheidingsleed kan door bemiddeling worden voorkomen, stelt Hoefnagels. Op die manier kunnen oplossingen worden gevonden die door beide ouders worden gedragen, zeker wanneer het gaat om de zorg voor kinderen. Juridische strijd over kinderen is zinloos en schadelijk, onderstreept Hoefnagels: “Als de gezagsouder de omgang frustreert, laat de raad voor de Kinderbescherming dat maar zo. De raad gaat onderzoek doen en - als de rechter erom vraagt - rapporteren. Maar intussen behoort de omgang gewoon door te gaan.” Rapporten hebben volgens Hoefnagels geen zin. “Ze verhevigen de strijd tussen de ouders en verlengen het kinderleed.”

Scheidingsbemiddelaar Hoefnagels is er daarom “zeer vóór dat de raad gaat bemiddelen in plaats van rapporteren in deze kinderzaken”. Hij pleit voor een korte tussenkomst van de raad bij bemiddeling. “Het moet kort. Het kan niet zo zijn dat je blijft bemiddelen terwijl het conflict tussen man en vrouw blijft bestaan.” Hoefnagels weet uit eigen ervaring dat bemiddeling niet lang hoeft te duren. “In mijn praktijk duurt een bemiddeling over de kinderen doorgaans een paar uur.”

Ook rechters vinden het een goede zaak dat bemiddeling wordt overwogen. Zij ervaren het volgens Stemker Köster wel eens als een gemis dat ze ouders niet kunnen doorverwijzen. Hij doelt dan op een instelling waar ouders een zodanige verstandhouding met elkaar kunnen opbouwen dat een omgangsregeling goed kan functioneren. “Want ook de rechterlijke macht vindt een goede omgang tussen ouder en kind van groot belang”, onderstreept Stemker Köster.

Maar bemiddeling heeft alleen zin als de omgang gewoon doorgaat, meent Hoefnagels. “Anders krijg je ongelijke machtsposities. Degene die de omgang heeft doen beëindigen, en daarvoor de kans heeft gekregen van de raad, hoeft de bemiddeling alleen maar te ontlopen om de omgang nog langer te frustreren.” Indien een van de ouders de omgang frustreert, zou Hoefnagels het liefste zien dat de rechter automatisch de andere ouder, die wel omgang toestaat, het gezag geeft.

Vader P. Tromp, die al ruim acht jaar zijn kinderen niet meer mag zien, juicht het toe als de raad zou gaan bemiddelen, maar wil dat daarvoor een juridisch fundament komt. “Anders heeft het geen zin. Als de gezagsouder niet wil meewerken en er staan geen sancties op, dan wordt het weer een uitstelprocedure.”