Methadonverstrekking heeft “iets hypocriets”

Minister Borst (Volksgezondheid) wil bij wijze van experiment gratis heroïne verstrekken aan een groep zwaarverslaafde drugsgebruikers. Dan kan worden onderzocht wat de gevolgen daarvan zijn voor de gezondheid en het sociaal functioneren van deze verslaafden. Met het onder controle verstrekken van methadon bestaat inmiddels al vele jaren ervaring. Wat valt daarvan te leren?

DORDRECHT, 23 OKT. Stel, een heroïnejunkie besluit zijn woning een grote schoonmaakbeurt te willen geven. De heroïne van die morgen heeft hem al in een opgeruimde, maar ook wat slome stemming gebracht - heroïne is een zogeheten downer. Dus moet deze junkie alvorens de stofzuiger ter hand te kunnen nemen, nog wat cocaïne hebben. Dat is een upper, die maakt weer energiek.

Zo, zegt klinisch psychologe A. Eland, stellen veel verslaafden afhankelijk van hun agenda en gemoedstoestand dagelijks hun 'ideale mix' samen uit verschillende middelen. Heroïne of het gratis verstrekte surrogaat methadon om je goed te voelen; cocaïne, speed, of amfetamine om daarbij zo actief als gewenst te blijven. Eland: “Het is een illusie te denken dat verslaafden bij een eventuele gratis heroïneverstrekking geen andere middelen meer zullen gebruiken.”

Of het experiment om langdurig verslaafden heroïne te geven hen van de straat zal houden, is dus de vraag. “Ze zullen toch andere middelen moeten scoren.”

Eland, als wetenschappelijk onderzoekster verbonden aan het Instituut voor Verslavingsonderzoek, promoveerde gisteren aan de Erasmus Universiteit Rotterdam op een vergelijking tussen verslaafden. Voor haar proefschrift 'Opiaatverslaafden binnen en buiten de drugshulpverlening: verschillende populaties?' ondervroeg ze gedurende twee jaar 330 verslaafden. Van hen bevonden zich dat moment 84 verslaafden buiten het hulpverleningscircuit, en van die groep had een kwart nooit enige vorm van hulp gehad. Uitgangspunt was de vraag waarom en wanneer verslaafden hulp zoeken.

Het is de eerste keer dat de ervaringen van Nederlandse verslaafden die geen hulp vragen, worden vergeleken met gebruikers die in een afkickcentrum of een therapeutische woongemeenschap verblijven, of die methadon halen bij de methadonbus. Tot nu werden uitkomsten van onderzoek binnen hulpinstellingen vaak representatief geacht voor alle verslaafden.

Eland ontdekte onder meer dat oudere en allochtone harddrugsgebruikers vaker buiten de hulpverlening blijven, en dat niet zozeer het druggebruik zelf alswel een cumulatie van nevenproblemen, zoals verlies van huis, werk en partner, de junkie naar een hulpinstantie doet gaan.

De problemen van verslaafden die in een methadonprogramma kwamen - met het doel hun druggebruik te reguleren - hadden evenwel vaker met de drugs zelf te maken.

Een opvallende uitkomst was dat ruim de helft van de ondervraagden die veel ervaring hadden met methadon, hun bijgebruik van andere verdovende middelen een probleem noemden. Ze blijven zich bezighouden met het scoren van andere drugs - vaak inclusief de heroïne, die methadon nu juist dient te vervangen. Omdat ze niet zonder kunnen, en omdat ze nu eenmaal gewend zijn zo hun dag te vullen en een andere vorm van tijdsbesteding vaak ontbreekt.

In haar proefschrift citeert Eland gebruikers. Een verslaafde van 35 die methadon kreeg, zegt over die periode: “Ik stal nog evenveel als daarvoor. (..) De methadon droeg bij aan die gewoonte.” Want het maakte hem fitter, en zo lukte het stelen “zelfs beter”.

“Het is wat vreemd om, als nog niet eens is vastgesteld of een methadonproject behoorlijk functioneert, alvast op soortgelijke wijze een volgend heroïneprogramma te starten”, zegt Eland. “Het gaat te snel. Wat ik proef is, dat er gewoon maar weer wat nieuws moet komen. Om mensen het idee te geven dat we het allemaal zo goed in de hand hebben.”

Volgens haar heeft het huidige methadonprogramma “iets hypocriets”. Bijgebruik is in methadonprogramma's niet gewenst, al weet iedereen dat het gebeurt. “Dus wordt het door verslaafden verzwegen, want er staan soms sancties op”, zegt Eland. “En hulpverleners weten bijvoorbeeld weer wel dat gebruikers de methadon soms in hun mond houden tot ze buiten zijn. Daar spugen ze het uit om het vervolgens te verkopen.”

Elands vond gebruikers buiten het zorgcircuit met de 'sneeuwbalmethode': geïnterviewden brachten haar in contact met andere verslaafden. Haar veldwerk speelde zich af in slooppanden, in een speciaal interviewbusje en een keer achterin een gestolen auto. Toen de verslaafde in kwestie voor zijn diefstal was opgepakt, werd het interview voortgezet in een politiecel.

Methadonprogramma's hebben het heroïneprobleem volgens Eland niet beheersbaar kunnen maken, omdat de scene van gebruikers voortdurend blijft veranderen. “Hulpverlening isoleert gebruikers tot dusverre van hun context, terwijl je juist de omgeving van de verslaafde moet begrijpen voordat je iets aan zijn gebruik kunt veranderen.”

Eland pleit daarom voor hulpverlening in de scene zelf: “Hoe komen ze hun dag door als ze niet meer hoeven te scoren? Overlast veroorzakend in de buurt van een methadonbusje? Je kunt beter een dealer in een gecontroleerd pand zetten, zoals in Rotterdam op proef is gebeurd. Met een hulpverlener in de buurt die permanent de vinger aan de pols kan houden.”

Volgens Eland valt de hulpverlening weinig te verwijten. Veel is mogelijk, en alle verslaafden weten de instellingen te vinden.

“Maar ik vrees dat men zich nu vastklampt aan het idee: we geven ze heroïne en ze leven nog lang en gelukkig. Dat dachten we bij methadon ook. Maar zo werkt het dus niet.”