Leren spreken in stijl

“Ik ben nu bezig met een jongen die zwaar Achterhoeks praat. Hij studeert, schijnt geniaal te zijn, maar niemand die hem verstaat. Pas toen hij stage ging lopen bij een groot bedrijf, werd hem te verstaan gegeven dat hij iets aan zijn spraak moest doen. Ook ik kon hem nauwelijks volgen. En dan te bedenken dat deze jongen zelf het gevoel had dat hij in Amsterdam Nederlands sprak.”

Voor logopediste Winnie Nieuwenburg-Hofman zijn cliënten die haar Buitenveldertse praktijk bezoeken uit onvrede met hun dialect niets bijzonders. Mensen worden nu eenmaal op hun spraak beoordeeld, net als op hun andere vormen van gedrag. Zo komen er nogal wat sollicitanten op het spreekuur die merken dat ze weinig succes hebben: “Zelf komen ze dan tot de conclusie dat dat wel eens aan hun dialect kan liggen.”

Onlangs kwam de KLM enigzins in opspraak omdat de maatschappij een stewardess vanwege haar dialect niet in dienst wilde nemen. Nieuwenburg-Hofman heeft het nodige cabinepersoneel van de KLM behandeld, voornamelijk meisjes tegen wie wordt gezegd dat ze in principe geschikt zijn maar eerst aan hun spraak moeten werken. Na een voorbereiding van een half jaar halen ze de spraaktest meestal wel. Deze dames zijn voor de KLM goud waard, want wie uit eigen zak een half jaar logopedie betaalt (zo'n 1.500 gulden) om stewardess te mogen worden moet wel bulken van de motivatie. De logopediste vindt niet dat er sprake is van discriminatie: “De KLM mag van haar mensen representativiteit eisen en daar hoort bij dat ze verstaanbaar zijn. Iemand die buitengewoon hees spreekt of een uitzonderlijk zachte stem heeft wordt ook afgewezen, al spreekt zij ABN.”

Andere dialect-cliënten in de praktijk van Nieuwenburg-Hofman zijn een dame die werkt in een sjieke modezaak, een jonge advocate op een statig kantoor in Den Haag en 'iemand op een ministerie'. Nieuwenburg-Hofman: “Die laatste werd naar mij toegestuurd omdat ze plat Amsterdams sprak.” Het gaat dus zeker niet alleen om de provinciaalse dialecten. De meeste dialect-cliënten zijn mensen die net een baan hebben gekregen of een sprong hebben gemaakt in hun carrière maar van hun werkgever te horen krijgen dat ze hun spraak moeten verbeteren. In de optiek van de logopediste is dialect een manco in iemands representativiteit, net zoals slechte kleding of vieze nagels. En net zoals de twee laatste manco's, is ook een dialect weg te werken. Dat docenten een leerling die dialect spreekt dommer zouden vinden dan zijn ABN-klasgenoten, zoals een Nijmeegse promovendus onlangs poneerde, acht de logopediste echter onvoorstelbaar: “Ik heb die artikelen goed gelezen, maar van dat onderzoek deugt weinig. Zo was de hele conclusie opgehangen aan een enkel meisje dat zowel dialect spreekt als ABN. In het eerste geval werd ze dom geacht, in het tweede slim. Ook werd in het midden gelaten of de docenten die de kinderen moesten beoordelen zelf dialect spreken of niet. Tenslotte zegt dialect niets over het niveau van iemands taalgebruik. Met andere woorden: in dialect kun je net zo goed op hoog en laag niveau communiceren als in het ABN.”

In haar 'dialect-therapie' richt Nieuwenburg-Hofman zich niet op grammaticale of lexicografische eigenaardigheden. Uitdrukkingen als 'een tas koffie' of 'wie meurt daar zo' (“die kun je immers uitspreken in prachtig ABN”) laat ze ongemoeid. Ook bestaan er geen verschillende dialect-afhankelijke therapieën. Uiteindelijk komt het steeds op hetzelfde neer: mensen moeten zich bewust worden van het verschil tussen hun eigen spraak en het ABN. Dat klinkt als een open deur, maar in de praktijk hebben ze zelf niet in de gaten dat ze dialect spreken. Nieuwenburg-Hofman: “Je moet ze op een band echt het verschil laten horen tussen 'verveling' en 'ferfeling' en tussen 'zeezout' en 'seesout'. Als ze deze verschillen leren horen, ligt de weg naar verbetering open.”

Deze vorm van therapie, de auditieve training, bevat onder andere een bandje waarop allerlei fantasie-woorden staan. De cliënt moet van elk woord op het bandje aangeven of het bijvoorbeeld met een f of een v begint. Maar meer nog dan de medeklinkers zijn de klinkers een probleem. Dialect-sprekers maken geen goed onderscheid tussen a, e, i, o en u. Een belangrijk hulpmiddel om dit te verbeteren is de aloude klinker-driehoek waarin elke klinker een eigen plaats heeft. Door de cliënten bij elk woord te laten aanwijzen waar ze zitten in de klinker-driehoek leren ze de klanken van de klinkers te differentiëren.

Over de resultaten van de dialect-therapie kan de logopediste duidelijk zijn, al wil ze ter bescherming van de privacy geen bandje laten horen van iemand voor en na de behandeling. Nieuwenburg-Hofman: “Zie het zo: van iemand die hier binnenkomt wordt minimaal enkele keren per week gezegd: 'jij komt zeker uit de Achterhoek' of 'jij komt zeker uit Amsterdam'. Na enkele maanden horen deze mensen dat soort opmerkingen niet meer.”

Toen ze in 1965 als logopediste begon, had ze nauwelijks dialect-cliënten en ook in de jaren zeventig en begin tachtig bleven ze weg. Nieuwenburg-Hofman denkt niet dat dialecten toen meer geaccepteerd werden. “Ik denk eerder dat de jaren zeventig een uitzondering waren. Toen kon alles. Je mocht er niet eens netjes uitzien, laat staan dat iemand wat zei van je spraak. In de periode daarvoor werd spraak wel zeer belangrijk gevonden. Die tijd komt nu weer terug. Dat past hij de algemene herwaardering van stijl. Ook bij BIokker lopen de verkoopsters nu in een keurig uniformpje rond! Daarnaast speelt de toegenomen mobiliteit natuurlijk een rol. Limburgers, Zeeuwen, Groningers: ze werken nu door het hele land. Nog niet zo lang geleden bleef een Drent zijn hele leven in Drenthe. Toen werd noch hijzelf, noch zijn landgenoot in de Randstad vaak geconfronteerd met het verschijnsel dialect.”