Leed met een smoel

“Het is vrijdagavond laat. Normaal zou ik nu al slapen. Maar vanavond schrijf ik u deze brief omdat ik momenteel de grootste crisis van mijn leven doormaak.” Een brief met deze dramatische aanhef kreeg ik onlangs van de mij onbekende zuster Michaela uit de Filippijnen, van de stichting Wereld Dorpen voor Kinderen.

Zij doet een dringend beroep op mij om geld over te maken, want “zonder uw hulp ben ik bang dat ik een flink aantal kinderen zal moeten vertellen dat ik ze - hoe pijnlijk ik dat ook vind - niet meer kan helpen. Kinderen zoals de kleine dertienjarige Vicente Valdeabella...” Vervolgens rekent ze me voor dat ze voor ƒ 20,35 een week lang een kind kan voeden. “Als u mij nu kunt helpen, hoef ik geen kinderen weg te sturen”, staat er voor alle duidelijkheid nog eens als PS onderaan de brief.

De stichting Wereld Dorpen voor Kinderen heeft het leed en schuldgevoel weer teruggebracht in de fondsenwerving voor de Derde Wereld. In de jaren zeventig en tachtig was dat dé manier om mensen over te halen hun portemonnee te trekken. In campagnes werd aandacht gevraagd voor onderdrukte, hongerende of door rampspoed getroffen volkeren. De treurnis in de tropen stond centraal. Na verloop van tijd trad er echter bij te gulle gevers een zeker defaitisme, zo niet onverschilligheid, op. De giften werden minder: het richtte allemaal toch weinig uit. Verhalen over bodemloze putten en strijkstokken maakten de bereidheid om te geven niet groter. Hierop gooiden de ontwikkelingsorganisaties het roer radicaal om. De slogan werd 'hulp helpt'. Geen zieligheid meer, maar energieke mensen die optimisme uitstraalden: de Novib-methode. Het ging weer goed in Afrika, zo werd ons voorgespiegeld. Het enige dat de mensen nodig hebben is een zetje in de rug.

Maar de stichting Wereld Dorpen voor Kinderen gaat weer terug naar het leed. Het verschil met vroeger is dat nu het persoonlijke leed wordt geëxploiteerd. Niet het anonieme lijdende Biafraanse volk, maar de hongerige dertienjarige Vicente. Leed met een smoel, zouden reclamemakers zeggen. Toch is de agressieve aanpak van de stichting Wereld Dorpen voor Kinderen niet nieuw. Tijdens de grote hongersnood in Afrika midden jaren tachtig bediende de gewezen sterverslaggever van Brandpunt Willibrord Frequin zich er al eens van. Om haar te overtuigen van de ernst van de zaak, nam hij een volslanke Amsterdamse caféhoudster op sleeptouw naar een der getroffen Sahellanden. Vooraf had de Amsterdamse namelijk gesteld dat zij niet van plan was geld te geven, omdat iedereen zo zijn eigen sores heeft en je wel aan de gang kunt blijven. Toen haar in dat Afrikaanse land een stervend kind in de armen werd geduwd, moest ze die mening schielijk herzien. Frequin was zijn tijd ver vooruit, blijkt nu, tien jaar later. Kennelijk is de enige manier om de blasé en murw geworden westerlingen in actie te laten komen hem of haar een stervend kind in de armen te duwen. Hetzij in het echt, hetzij per brief.