Geschiedschrijving

Dat menig historicus moeite heeft met schrijven is geen geheim. Dat sommigen ook moeite hebben met lezen, komt toch nog als een verrassing. De bijdrage van K. van Berkel inzake de staat der Nederlandse geschiedschrijving (NRC Handelsblad, 18 oktober), is daarvan een grappig voorbeeld.

Blijkbaar reageert hij op mijn stuk over het RIOD dat op 14 oktober in deze krant stond, maar helemaal duidelijk is dat niet. Deze hoogleraar geschiedenis na de Middeleeuwen aan de Rijksuniversiteit Groningen schrijft mij allerlei geheel uit de lucht gegrepen en door hem zelf verzonnen denkbeelden toe die noch in het bedoelde stuk over het RIOD te lezen waren, noch gevonden kunnen worden in enig ander stuk dat ik sedert mijn kindertijd heb geschreven, noch in mijn hoofd zouden opkomen zelfs als ik in een toestand van volkomen delirium zou verzeilen.

Van Berkel hanteert de oudste en banaalste retorische truc die er is: de aanval op het zelfgecreëerde, geheel onsamenhangend spookbeeld, waarna men vergenoegd het eigen gelijk meent te kunnen constateren. Hij 'denkt', schrijft hij, dat ik een pleidooi hield voor geschiedschrijving in de vorm van 'spannende verhalen' die door 'investigative reporters' worden opgedist, en het in dag- en weekbladen 'goed doen' (quod non). Bovendien 'denkt' hij dat ik louter een lans brak voor 'het debat, de discussie, het rumoer op straat', en dus lijdt aan een Felix Rottenberg-syndroom (quod non). Geen enkele van de door hem aan mij toegeschreven woorden, zinsneden of denkbeelden komt voor in mijn stuk over het RIOD, maar Van Berkel schrijft doodleuk dat dit de “dingen zijn die Bommeljé zo graag zou zien”.

Dat hij naast deze door hem bestreden hersenschimmen volhoudt dat “nergens in Europa het historisch menu zo gevarieerd is als in Nederland” maakt zijn betoog slechts hilarischer. Dit is een volstrekt absurde claim voor iemand die geacht wordt zijn vakgebied bij te houden, en dus ook de Britse en Franse tijdschriften ter zake behoort te raadplegen.

Van Berkel schrijft dat hij “niets tegen journalistiek” heeft (godlof!), maar ziet een journalistieke aanpak wel “als een verschraling” van het historische vak. Vreemd is dat - als ik aan contemporaine geschiedschrijving in Nederland denk, schieten mij vooral de namen te binnen van journalisten zoals Paul van 't Veer, Henk Hofland (diens Tegels lichten zou verplichte kost dienen te zijn voor alle historici van de moderne tijd) en Gerard Mulder (wiens bronnenbehandeling in zijn boeken over Van Randwijk en Het Parool menig beroepshistoricus, inclusief K. van Berkel, tot voorbeeld zou kunnen dienen).

Dat geschiedschrijving een tijdrovend ambachtelijk werk is en slechts zelden tot publiek succes leidt, zoals Van Berkel constateert, is een platitude die ik daarom van harte kan onderschrijven (als reeds twee decennia werkend aan een reeks studies over een onderwerp waarin niet meer dan vijf mensen - inclusief ikzelf - zijn geïnteresseerd). Het ging mij in het stuk over het RIOD, waartegen Van Berkel zo'n schijngevecht levert, nu juist om de kwaliteit van deze geschiedkundige ambachtelijkheid, die, zoals elke historicus dient te weten, begint met goed lezen wat er staat geschreven.