Universitaire archeologie in bestaan bedreigd

Als we afgaan op de publiciteit rond opgravingen en vondsten gaat het erg goed met de Nederlandse archeologie. De oudste tekening van Nederland, het bronzen masker van 'Gordon', het is steeds weer groot nieuws. Dat idee wordt versterkt door de bijlage Profiel bij deze krant van 2 oktober. Archeologie is booming business, er dreigt een te kort aan archeologen, van 'stoffige wetenschappers' ontwikkelen archeologen zich tot moderne, dynamische managers. Er klinkt een zeker triomfalisme in door.

Misschien gaat het wel erg goed met de monumentenzorg, maar dat is iets anders dan de 'echte' archeologie, het wetenschappelijk onderzoek. Op 16 januari 1992 werd in Valetta op Malta een Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed gesloten, in de wandeling aangeduid als de 'Malta Conventie'. Dit verdrag zal komend jaar in de Nederlandse wetgeving worden verwerkt. Belangrijk element hierin is de invoering van het 'veroorzakersprincipe': de verstoorder van een archeologische situatie betaalt, met name voor verkenningen en een eventueel noodzakelijk geachte opgravingen.

Het gevolg van deze wetswijzigingen is dat er in de toekomst grote fondsen beschikbaar zullen komen. Dat is mooi voor de monumentenzorg, maar het dreigt het archeologisch onderzoek lelijk te ontwrichten.

Laat ik vooropstellen, dat de invoering van 'Malta' een goede zaak is. Er zal in toenemende mate aandacht komen voor de dreigende verstoring van 'het bodemarchief'. Archeologische waarden worden vroegtijdig bij plannen betrokken en daarin ingepast. En minder dan voorheen zullen archeologen achter de feiten aanhollen, er wordt meer en beter gedocumenteerd, waardoor veel schade aan archeologische terreinen kan worden voorkomen.

Bij de uitvoering van het verdrag zijn echter kanttekeningen te plaatsen. De rol van de verschillende overheden (rijk, provincie, gemeente) in de monumentenzorg, moet nog worden geregeld, met name bij de waardering en selectie. Ten tweede ontstaat er het probleem van de 'private instellingen' in het veld en hun opgravingsbevoegdheid. Nu is dat privilege nog voorbehouden aan overheidsinstellingen: de Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek (ROB), universiteiten en gemeentelijke diensten.

Daar komt bij dat de ROB tegelijkertijd adviseur is, verantwoordelijk voor waardering en selectie, en uitvoerder. Bij een commerciële archeologie moet de uitvoerder onafhankelijk en concurrerend zijn.

Bij de gemeentelijke archeologen heerst nu ongerustheid over het gebrek aan duidelijkheid in de stedelijke gebieden. Anderen zijn ongerust over de gefaseerde invoering, waardoor projecten waarvoor geen milieu-effectrapportage (MER) verplicht is, vooralsnog buiten de regelgeving vallen. Verder zijn er zorgen, verwoord door de onderzoekschool ARCHON, over het wetenschappelijk rendement van opgravingen die commercieel zullen worden uitgevoerd, primair op documentatie zijn gericht en slechts zullen resulteren in een 'basisrapportage'. Alle opgravingsinvesteringen en -inspanningen moeten toch resulteren in werkelijke kennis van het verleden en niet alleen in een vervangend document.

Natuurlijk speelt de ROB - het instituut dat de Monumentenwet uitvoert - bij de invoering van 'Malta' een dominante rol, zowel bij de voorbereiding van het departement en de bewindslieden, als in het veld. Maar het veld heeft niet het gevoel dat er een dialoog tot stand komt. Het lijkt of de ROB bezig is het hele veld min of meer de wet voor te schrijven. Met name de universitaire instituten hebben niet het gevoel dat naar hen wordt geluisterd, laat staan dat rekening met hen wordt gehouden, hoewel de nieuwe regeling nogal wat consequenties voor hen zal hebben.

Voor de universiteiten is het nogal shocking dat een rijksdienst zich als adviseur ingrijpend met het universitaire onderzoek en onderwijs bemoeit. Zo dreigt een forse controverse tussen ROB en universiteiten, tussen monumentenzorg en onderzoek, en tussen archeologie gericht op beheer en behoud en die gericht op kennis en wetenschap. Met als oorzaak de heroriëntatie van de ROB op de monumentenzorg, het 'grote geld' van 'Malta' voor commerciële opgravingen en de onderzoeksambities van de arme universiteiten.

Hoe alles er straks in de praktijk gaat uitzien, ervaren we nu al bij de Betuweroute. Dat is de proeftuin voor de 'nieuwe archeologie'. De veroorzaker/verstoorder (Nederlandse Spoorwegen) en de beschermer (ROB) hebben daar een monsterverbond gesloten.

Natuurlijk is het lovenswaardig dat de NS zich aangesproken voelen als 'veroorzaker' en daarnaar in de geest van 'Malta' handelen. Maar het is een opdrachtgever die nauwelijks inhoudelijk is geïnteresseerd. Als de 'rommel' maar op tijd en binnen het budget is opgeruimd en als er maar een positieve bijdrage aan de PR wordt geleverd.

Het lijkt er veel op dat de ROB zich met de door de NS voorgeschreven aanpak behoorlijk heeft laten inpakken. De bestekken die zijn gemaakt, zijn gericht op commerciële firma's - die er voorlopig nog niet zijn - terwijl de universiteiten in de startblokken stonden, maar eindeloos op 'het ontwerp' moesten wachten. De universiteiten willen bovendien geen aannemer spelen met bestekken en ambtenaren als opzichters, maar een gewone onderzoeksovereenkomst sluiten zoals die normaal voor wetenschappelijk onderzoek wordt afgesloten. Zij willen en moeten hun onderzoek zelf kunnen ontwerpen.

De parallellen die nu bij de aanbesteding van de projecten rond de Betuweroute worden getrokken tussen de uitvoering van een opgraving en het neerzetten van een gebouw zijn vals. In tegenstelling tot een bouwwerk is een opgraving slechts voor een klein deel voorspelbaar, de omvang van het grondverzet bijvoorbeeld. Er zijn grote posten 'onvoorzien' en - anders dan bij een bouwwerk - vinden er veel keuzes en beslissingen in en tijdens het werk plaats. Er moet veel 'naar bevind van zaken' worden gewerkt en dat is bestek-denkers een gruwel. Bij ons onderzoek in Hardinxveld is dat allemaal al snel gebleken.

Een opgraving - en wetenschappelijk onderzoek in het algemeen - laat zich vergelijken met een kunstwerk, al reiken de pretenties niet zo hoog. Er is inspiratie en inventiviteit bij nodig, alsmede creativiteit en voorstellingsvermogen. De 'architect' en 'uitvoerder' zijn in één persoon verenigd en de opdrachtgever beperkt zich tot de randvoorwaarden en de financiering.

Het tegenspartelen van de instituten tegen de gevolgde werkwijze wordt nu gestigmatiseerd met stereotiepen als elitair, het hebben van lange (gevoelige) tenen en het zitten in ivoren torens. Er is geen begrip voor dat een zichzelf respecterend instituut op deze manier met goed fatsoen geen onderzoek kan doen. Toch is het van groot archeologisch belang dat de universiteiten in het nieuwe bestel hun rol blijven spelen. Zolang zij bestaan nemen zij een aanzienlijk deel van de zogenaamde noodopgravingen voor hun rekening. De instituten doen dit uit het oogpunt van archeologische ethiek. Het profiteren van bedreigde situaties met een Notgrabung heeft voorrang boven het uitvoeren van een Lustgrabung op een onbedreigd terrein. Er moeten ook studenten worden opgeleid voor deze praktijk. En er is voor noodonderzoek altijd aanvullende financiering te vinden, een niet onbelangrijke factor voor de arme universitaire instituten. Last but not least is het in het nieuwe bestel ook nodig voor de handhaving van het wetenschappelijk niveau van de veldarcheologie, nu een groot onderzoeksinstituut als de ROB op dit terrein een flinke stap terug is gezet.

Cruciaal is dat er een toewijzingsprocedure is van uit te voeren opgravingen die geënt is op de universitaire onderzoeksambities en die maximaal profijt trekt van hun archeologische onderzoekscapaciteit. Dat betekent dat het systeem dat al jaar en dag naar ieders tevredenheid functioneert zou moeten worden voortgezet. Laat de 'nieuwe' archeologische monumentenzorg de universiteiten optimale mogelijkheden bieden voor onafhankelijk en geïnspireerd wetenschappelijk onderzoek, in plaats van hen in voorschriften en bestekken te knevelen.