Seks en drugs en bebop in de Fifties

The Beat Generation on Screen. Films van en over de Beat Generation. Van 23 okt t/m 5 nov. In: Cinema de Balie en De Melkweg, Amsterdam. Inl. (020)624 17 77/ 553 51 00

Het nummer Jesus Hit Me Like an Atom Bomb op de soundtrack van The Atomic Café (1982) van Kevin Rafferty brengt je spoorslags terug naar de jaren vijftig. Laat er vooral geen twijfel over bestaan: deze vrolijke gospel is bedoeld als een pro-bewapeningslied, de protestzangers van de jaren zestig speelden nog met klappertjespistolen. Rafferty's klassieke documentaire bestaat uit een compilatie van militaire propagandafilms uit de Koude Oorlog. Als de beelden van schoolkinderen die leren hoe ze zich bij een eventuele kernaanval onder hun tafeltjes moeten verschuilen of de ontruiming van het Bikini Atol niet zo onthutsend waren, zouden ze door hun historische afstand hilarisch zijn. The Atomic Café is een van de films die wordt vertoond tijdens een grootscheeps retrospectief met films van en over de Beat Generation dat vanaf deze week is te zien in Cinema de Balie en De Melkweg in Amsterdam. Behalve kunstenaarsportretten van bekende beat poets als William Burroughs (1914-1997), Allen Ginsberg (1926-1997) en Jack Kerouac (1969) zijn ook klassieke beat films als Chappaqua (Conrad Rooks, 1966), The Cut-Ups - William Buys a Parrot, Bill and Tony, Ghost at No. 9 (Anthony Balch, 1962) en Pull My Daisy (Robert Frank, 1959) in het programma opgenomen.

De Beat Generation was de culturele underground van de burgerlijke jaren vijftig en zestig. Tegenover de paranoia en de hypocrisie van de Koude Oorlog werd de onthechting van het 'on the road' zijn geplaatst. In plaats van te kiezen voor een gezapig bestaan gaf men zich over aan experimenten met verdovende middelen. En je telde niet mee als je niet tenminste een literair werk op je naam had staan. De beat van de zwarte jazz bepaalde het ritme van het leven, kortom het waren de jaren van seks en drugs en bebop.

Zo afschrikwekkend als de Amerikaanse krijgsmacht het communisme afschilderde, zo ontaard portretteerde Hollywood de beatniks. Hun vrijheidsdrang, de drugs, de jazz en de artistiekerigheid zijn het decor van een handvol zogeheten Beat 'Sploitation-films uit de jaren vijftig en zestig, die beslist het leukste onderdeel van het festivalprogramma zijn. De filmindustrie had er in de vorm van de criminele beatnik weer een nieuwe vijand bij. In The Beat Generation bijvoorbeeld (Charles Haas, 1959) trekt een gestoorde vrouwenverkrachter - The Aspirine Kid - door een knusse Californische buitenwijk. Hij leest Schopenhauer, draagt een coltrui en houdt van jazz, dat moet dus wel een griezel zijn. Ook Roger Corman is in A Bucket of Blood (1959) een meester in het exploiteren van de beat-clichés. Zijn hoofdpersoon is een verlegen ober in een coffee bar die ervan droomt een echte kunstenaar te zijn. Met het kleien wil het echter niet zo lukken, tot hij per ongeluk de kat van zijn buurvrouw vermoordt en in klei verpakt. A Bucket of Blood doet sterk denken aan horrorklassieker The House of Wax (1953), maar dan vol opwindende taferelen van leep kijkende meisjes, woest dansende hipsters en smoezelige dichters.

Allen Ginsberg schijnt eens te hebben gezegd dat hij evenveel uren in zijn leven in de bioscoop heeft doorgebracht als high is geweest, en misschien nog wel meer. De beat-films die in het kader van dit retrospectief tijdelijk werden geïmporteerd brengen een minstens even aangename roes teweeg.