Reeks theatrale salto's als eerbetoon aan García Lorca

Voorstelling: Lorca, een afscheid van Annemarie Prins. Spelers: Ali Çifteci, Nienke Reehorst en Frank Sheppard. Gezien 16/10 Theater Frascati, Amsterdam. T/m 25/10 aldaar. Tournee t/m 29/11.

Hommage is misschien wel het mooiste dat de ene kunstenaar de andere kan bieden. Degeen die iemand een eerbetoon bewijst, geeft daarmee zijn inspiratiebronnen prijs en erkent zijn meerdere. Annemarie Prins, die kort geleden met de voorstelling Harmoniehof haar persoonlijke drijfveren onthulde, presenteert met Lorca, een afscheid haar artistieke schatplichtigheid aan de Spaanse dichter García Lorca (1898-1936).

Het is vooral zijn gewelddadige dood geweest, uitgevoerd door de extreem-rechtse falangisten, in de heuvels bij Granada die haar fascineert. Het is een onopgehelderde moordpartij. In dit opzicht - raadsels rondom iemands dood - vertoont de voorstelling overeenkomst met The Drowning of Mrs. Woolf van Peter Verburgt, gespeeld door Josée Ruiter. Probeert Verburgt in een gedachtenstroom Virginia Woolf's laatste uren in beeld te brengen, verstild geënsceneerd, Annemarie Prins daarentegen zoekt en vindt haar expressie in een barokke theatertaal. In een wel erg zielloos decor - een verdorde sinaasappelboom, rode vloerdelen, een wrakke stoel - belichten twee acteurs en een actrice Lorca's leven. Geen concentratie op de tekst zoals bij Josée Ruiter, wel een anarchistische wildheid aan invallen, momentopnamen, dramatische agressie. Prins zelf komt aan het woord op een video. Ze legt uit hoe ze een foto van de cipres wilde nemen die, in 1936, stille getuige moet zijn geweest van Lorca's executie. In alle onbeholpenheid is het aanstekelijk wat ze vertelt, want de boom is eigenlijk te groot voor een opname, dus maakte ze er meer, aldus de boom fotografisch in stukjes hakkend. Dat in stukjes hakken typeert ook de voorstelling die, per slot, minder een hommage is als wel een reeks vrijgevochten theatrale salto's met Lorca's poëzie als springplank. Een kern was moeilijk te ontdekken, of het moesten de verschillende uitingen van verdriet en woede zijn die de drie acteurs spelen. Frank Sheppard, gekleed in battle-dress, treedt op als de Amerikaanse soldaat die vergeefs de vrede in Spanje wilde brengen. Al roffelend met zijn vingers op zijn lichaam maakt hij daarvan een trommel. Nienke Reehorst symboliseert de teloorgang van de passie; heftig rolt zij over de grond, ze vertrapt rozen en, tussendoor, kan zij prachtig dichtregels zeggen. In de Turkse acteur Ali Çifteci herkennen we Lorca zelf, een rusteloze bange man, met zijn koffers onderweg naar Granada - en naar Granada gaan is de dood tegemoetsnellen.

De korte voorstelling, ternauwernood vijf kwartier, is te onsamenhangend en te tomeloos van fantasie om ontroerend te zijn. Het is of Annemarie Prins rust en zuiverheid niet heeft aangedurfd, telkens moet er weer van alles gebeuren waardoor de aandacht wegschiet van Lorca en gevangen wordt door de mimische of anderszins drukdoende begaafdheden van de acteurs. Begon Lorca, een afscheid als intense weergave van zijn gedichten en leven, halverwege breekt Prins deze subtiel ingezette verhaallijn af en spat de voorstelling uiteen in vondsten. Çifteci's klaagzang aan het slot moet emotioneel veel goedmaken, dat gebeurt ook, maar naar de vorm is het willekeurig. Als Nienke Reehorst hier een gedicht had gereciteerd, was dat dwingender en waardiger geweest. Het probleem van dit associatieve theater is dat alleen de maakster weet waarom wat gebeurt en in welke volgorde. Dat is uiteindelijk te egotistisch.