MAARTEN VAN TRAA 1945 - 1997; Een kort leven lang dwars

Maarten van Traa: vaak dwars, vaak ook beminnelijk, soms intellectualistisch, bijna altijd een gedrevene, al zat daar misschien wel eens een vleugje toneel in.

Een “salonsocialist” zei hij, zoon van een hoogleraar en een journaliste, wel eens spottend over zichzelf. Een beetje ijdel, maar toch zelden zonder een lachje naar zichzelf en de omstanders. Links, volgens velen en ook volgens eigen zeggen zelfs het linkse geweten van zijn partij. Niettemin: een moderne man van de wereld, die in en buiten Nederland door talenkennis, bevlogenheid en présence kon imponeren. Kritisch politicus, zeker, maar toch eigenlijk, en weer: ook naar eigen zeggen, bovenal journalist (Algemeen Handelsblad, Le Monde, VPRO) het vak waarin zowel zijn spreekwoordelijke eigenzinnigheid als zijn nieuwsgierigheid van pas kwam.

Het leven van Van Traa is, zoals geldt voor velen van zijn generatiegenoten en geestverwanten, ondenkbaar zonder het Europese “omwentelingsjaar” 1968, dat de destijds 23-jarige gedeeltelijk in het turbulente Parijs beleefde en waar hij - als student - voor het Algemeen Handelsblad reportages maakte tot hij als ongewenst vreemdeling Frankrijk werd uitgezet. De politieke, culturele en sociaal-psychologische markering van nieuwe tijden was bepaald voor Van Traa's generatie en dat zou zij laten merken ook. Het was de tijd waarin Nederland omschakelde van harmonie naar conflict, de enorme naoorlogse geboortengolf op de kiezersmarkt verscheen, Nieuw Links, DS'70, D'66 en de PPR ontstonden en de “polariserende” PvdA even later begon te hopen dat zij de grote begunstigde zou worden van een snel verlopend proces van politieke en maatschappelijke ontzuiling en deconfessionalisering.

In de generatietwisten die toen ook in de PvdA ontbrandden was de intellectueel Van Traa (gymnasium, rechten Amsterdam, politicologie in New York en Parijs) als nog verhoudingsgewijs jonge man als het ware een verlate deelnemer. Maar nadat de bewonderde Den Uyl, naast de Duitse kanselier Brandt en de Zweedse premier Palme zijn grote voorbeeld, eind 1977 de formatie van zijn tweede kabinet had zien mislukken, rees Van Traa's ster in de PvdA snel. In 1979, toen de partij zich aan de linkerkant voortdurend aangevallen zag door 'klein links' en groeiende bezwaren tegen het klassieke buitenlandse beleid, het Nederlandse Navo-lidmaatschap (naast bijvoorbeeld een dictatuur als het toenmalige Portugal) en de kernwapens, werd de pas 34-jarige Van Traa internationaal secretaris. Zijn eerste congresrede, ook voor de buitenlandse gasten afgestoken in een handvol talen, werd een groot succes. De dagen van de intern veelgekritiseerde 'vliegtuigdiplomatie' leken voorbij, de dagen dat de politieke emancipatie van grote groepen Nederlanders ook het buitenlands- en veiligheidsbeleid kon gaan raken, leken gekomen.

Maar de PvdA bleef, afgezien van het korte en pijnlijke intermezzo dat het tweede kabinet-Van Agt in 1981/'82 was, oppositiepartij en haar vele jaren gepraktizeerde polarisatiestrategie had wèl de VVD groot helpen groeien en de vorming van het CDA in de hand gewerkt maar Van Traa's partij in een politiek isolement gebracht. Het woedende nationale kruisrakettendebat ('79-'85) leek mede geschikt als het laatste grote polarisatiewapen tegen het besluiteloze CDA én als katalysator voor een brede volksbeweging waaraan de PvdA leiding kon geven. Van Traa werd secretaris van het Komitee Kruisraketten Nee (KKN), dat 'links' en confessionele en ongebonden bezwaarden tegen kernwapens, als die van het Interkerkelijk Vredesberaad en Pax Christi, bundelde en in 1981 en 1983 honderdduizenden demonstranten op de been bracht. De wat 'oudere' generatie in de PvdA, men hale zich het beeld van oud-minister Van der Stoel en zijn angst voor een Duitse Alleingang op dit gebied voor ogen, zat toen al in de hoogste boom. Maar ook anderen, jongeren, in de niet-confessionele PvdA keken kritisch naar dit KKN-verbond, dat geen succes had en bovendien nog het politieke isolement van de sociaal-democraten verlengde. Dat Van Traa pas een decennium later een hoge Duitse onderscheiding zou krijgen was, zogezien, niet zó verbazend. Hoe dat ook zij, anders dan partijstrategen als Wim Meijer en Klaas de Vries verliet Van Traa de actieve politiek niet, al zou hij dan - in 1986 lid van de Tweede Kamer geworden en in 1987 afgetreden als internationaal secretaris - onder de nieuwe partijleider Wim Kok tijdelijk naar het tweede gelid schuiven.

Tijdelijk dan. Want Van Traa bleef een kritisch en oorspronkelijk man, die zijn eigenzinnigheid naar alle kanten bleef demonstreren en die naast zijn “oude liefde” - de buitenlandse politiek - zich ook steeds meer op justitie en vreemdelingenbeleid ging richten. Hij kwam dan ook snel en onveranderd “terug”. Tijdens het derde kabinet-Lubbers ('89-'94) bleek dat toen hij afstand nam van de asielpolitiek van de geestverwante staatssecretaris Kosto. Bekend is de anecdote dat Van Traa ooit eens zó kwaad over die politiek zou worden dat hij zijn koffertje door een raam gooide. Later zouden, ook tijdens het huidige kabinet, ministers als Pronk (verhouding tot China) en Van Mierlo (mensenrechtenbeleid) merken dat Van Traa's soms scherpe kritiek niet ophield bij partij- of coalitiegrenzen.

Zijn finest hour en - opnieuw - grote landelijke bekendheid kreeg Van Traa als voorzitter van de naar hem genoemde en knap door hem voorgezeten parlementaire enqûetecommissie Opsporingsmethoden ('94-'96), ook wel enqûete-IRT geheten. Daarin vertoonde hij naast scherpzinnigheid en vasthoudendheid een voor velen verrassend talent om het enqûeteteam als eenheid te leiden. Maar zichzelf bleef hij ook in die hoedanigheid. Want toen het kabinet naar zijn smaak te weinig deed met de aanbevelingen van “zijn” enqûetecommissie, trok hij als lid van de wetgevende macht de sabel om de uitvoerende macht (de regering) ervan langs te geven. Kortom: hij bleef een kort leven lang dwars en zou dat vermoedelijk zelf een aardig motto hebben gevonden.