Genesis 46-50; Aan het eind van het begin

In het familieportret vanaf de schepping dat het eerste bijbelboek ook is, valt aan Jozef de laatste en misschien meest humane rol toe. Hij is het eindpersonage van Genesis.

Van alle karakters tot nog toe is het zijne het meest uitgewerkt en ook verhaaltechnisch zal Jozef zeker de jongste zijn. Er moet een enorme afstand liggen tussen de lapidaire en abrupte wijze waarop de eerdere verhalen van Genesis verteld worden en deze novelle met het eerste happy end. Ziehier het einde van een frictie tussen broers, de zoveelste, maar dit keer zonder geweld en ook overigens zonder slachtoffers. Jozef neemt wel wraak, maar een louter symbolische en ironische, die in feite de inleiding vormt tot de bescherming en gastvrijheid die hij als onderkoning van Egypte aan de complete familie met aanhang zal bieden. Hetgeen wel een wonder van menselijke beschaving mag heten, binnen het verband van Genesis. Want daarin gaat het er buitengewoon hard aan toe en lijkt vrijwel geen enkel personage nu speciaal uit op de gunsten van enige lezer. Voorbeeldige karakters zijn er tot dusver nog niet voorgekomen.

Het onthutsende van deze verhalen, bijna steeds familiegeschiedenissen, is dat heel wat wreedheid en diefstal, list en bedrog klaarblijkelijk plaatsvinden met Gods stilzwijgende instemming zo niet met zijn actieve steun. God is, gerekend naar het aantal pagina's, niet zo verschrikkelijk lang na de schepping in hoofdzaak de regelrechte partijganger geworden van Abram, Isaak en Jakob. God ontwikkelt zich met de personages van zijn schepping mee en geleidelijkaan is hij van de God van Adam veranderd in die van Abram, Isaak en Jakob. Waarbij een zekere mate van terugtrekking onmiskenbaar is. God gaat, zo moet aangenomen worden, steeds vaker op afstand besturen. De graad van zijn directe aanwezigheid neemt af, het aantal ontmoetingen loopt terug. Van de aanvankelijk zeer concrete aard van bijvoorbeeld Gods visite, overdag, aan Abram en Sara, waar hij aanzit aan een maaltijd, tot het droomgezicht en de nachtelijke ontmoeting van Jakob - dat is een flinke afstand. Jozef is de eerste die buiten deze min of meer directe contacten met God staat. Zijn trait d'union met althans zijn vader Jakob bestaat hierin dat beiden ontvankelijk zijn voor het droomgezicht. Maar wat een verschil tussen hun dromen. Waar Jakob een om zo te zeggen door en door transcendentale droom heeft - namelijk die van de ladder waarlangs de engelen dalen en stijgen -, daar heeft Jozef, zoals ten slotte overduidelijk blijken zal, dromen die een betrekkelijk nabije toekomst voorspellen.

Zijn dromen zijn immanent en aards. Ze kunnen omgezet worden in praktische politiek en in economisch profijt. Hoewel Jozef gestadig wordt afgeschilderd als een vroom en gelovig man, verschijnt God hem nooit, zijn leven lang niet. Als om dit verschil met zijn vader nog eens extra te benadrukken, spreekt God voor een allerlaatste keer 'tot Israel [oftewel Jakob] in nachtgezichten' (Gen. 46:2). Dat gebeurt op het eerste traject van Jakobs reis naar Egypte, het land waar hij sterven zal. In Berseba, de zuidelijkste punt van Juda, bij de grens, is het dat de welbekende belofte nog maar weer eens herhaald wordt: de belofte die als een soort van running gag door Genesis loopt. Zij het nu met een minieme - en onthutsend nieuwe - plaatsbepaling: 'Ik zal u daar [mijn cursivering, N.M.] tot een groot volk maken'. Het heeft, bij al het andere, ook iets heel geestigs, al dat gesjouw, al die beloften, al dat ogenschijnlijke geduld aan de kant van degenen aan wie al die beloften worden gedaan, ook al wordt daarover zelden of nooit gesproken. Inmiddels gaat het dus over Egypte; wat tot nog toe bepaald niet in de bedoeling of het verschiet heeft gelegen. Maar goed, eerst het beloofde grote volk, en daarna pas het beloofde land, waarom ook niet.

Dat Jakob het allemaal niet meer mee zal maken, lijkt God hoffelijk in het midden te laten wanneer hij hem belooft dat hij hem zelf terug zal voeren en dat Jozef hem de ogen toe zal drukken (Gen. 46:4). Bevat die volgorde, van wat hij en Jozef zullen doen, zelfs een lichte suggestie van een terugkeer in levenden lijve? Zoals de lezer nog gewaar zal worden, zal Jakob het heilige land ten slotte weer bereiken als mummie - ook wat dat aangaat andermaal verenigd met zijn eveneens in Egypte gestorven en gebalsemde zoon Jozef. En dat alles dan ook nog eens vele generaties later. Misschien dat deze omkering van de chronologische volgorde, waarin een goddelijke handeling en een menselijke heel even uiterst bedrieglijk in elkaars verlengde lijken te liggen, de goddelijke schaalverdeling te kennen wil geven. Aan het einde van Genesis gekomen kan de lezer zich afvragen hoe Jozef zich verhoudt tot de aartsvaders: Abram, Isaak, Jakob. De God van dat drietal, de grootvader, de vader, de kleinzoon - is die nog steeds de God van de achterkleinzoon? Niet helemaal, zou je denken. Het is een God die zich begint terug te trekken: een stuk geciviliseerder maar ook aanzienlijk minder prominent aanwezig. God is aan het verinnerlijken en aan het verschriftelijken, om het zo maar eens te zeggen. We naderen dan ook het boek Exodus, waarin de moraal de onloochenbare vorm van de tien geboden zal krijgen. Geboden, die in Genesis als zodanig nog niet voorhanden waren: het eerste bijbelboek behandelt de prehistorie van de moraal. Ook daarom is Jozef minder een vierde aartsvader dan een tussenfiguur. Een belangrijke tussenfiguur, dat wel, maar wiens rol aan het eind van Genesis uitgespeeld is.