Een vijftallig universum

Gerard Caris. Tekeningen. Stedelijk Museum te Amsterdam. T/m 2 november.

Al dertig jaar is de Maastrichtse kunstenaar Gerard Caris in de ban van de regelmatige vijfhoek. De diagonalen van de pentagoon mogen de magische vijfpuntige ster opspannen, als constructieve eenheid is deze geometrische figuur in de natuur - en in de kunstgeschiedenis - onbemind. Dat komt omdat het platte vlak zich niet met regelmatige vijfhoeken laat betegelen en wie met regelmatige twaalfvlakken of dodecaëders (een lichaam van twaalf aaneengesloten vijfhoeken) aan het stapelen slaat merkt eveneens dat hij met loze ruimte blijft zitten.

“De vijfhoek trekt me vanwege zijn beeldende kwaliteiten”, zegt Caris in het Prentenkabinet van het Stedelijk Museum in Amsterdam, waar hij tekeningen exposeert. “Ik zocht een idee om een universum mee op te bouwen, ik heb een sterke affiniteit met de kennisaspecten van de kunst. Het nauwkeurig onderzoek in de natuurwetenschappen onderschat deze benadering van artistiek experimenteren. Graag zou ik met kristallografen en wiskundigen in contact treden om in samenspraak tot oplossingen te komen.”

Caris, geboren in 1925, klom na zijn opleiding aan de technische school op tot petroleumingenieur bij de Shell. In Nieuw Guinea en Nigeria leidde hij proefboringen. “Via mijn werk nam ik kennis van de primitieve kunst van de Papoea's. Die intrigeerde me vanwege zijn rechtlijnigheid, de herhaling in motieven. Gezien hun extatische feesten had ik eerder een kunstbeoefening à la Pollock verwacht. Die hermetische vormen, in combinatie met de schoonheid van de kwartskristallen die bij de boringen naar boven kwamen, hebben mij op het spoor gezet. Dat zoeken naar regelmaat, orde, groepsvorming: je proeft het in mijn werk.”

In 1957 emigreerde Caris naar de Verenigde Staten. Uitgekeken op de oliewereld begon hij in Californië een studie kunstgeschiedenis en filosofie. “Daar heerste een sfeer van vernieuwing en daadkracht. Mijn beste cijfers haalde ik voor esthetica. Ook volgde ik een opleiding tot uitvoerend kunstenaar, waarbij ik een verband zag met wat achter me lag. Zo hoorde ik op excursie naar het Lawrence Livermore laboratorium dat symmetrie bij het deeltjesonderzoek een steeds krachtiger rol speelde. David Hockney en R.B. Kitai, mijn leraren in Berkeley, vonden dat in mijn werk een architectonische opbouw zat. Ga terug naar Nederland als je iets wilt bereiken, zeiden ze, hier blijf je tweedehands Amerikaan.” In 1967 keerde Caris terug naar Maastricht en begon hij zijn studie naar de vijfhoek. Er kwamen tekeningen, papierreliëfs en plastieken van metaal en kunststof. “Het probleem is dat je met dodecaëders niet a priori kunt werken zoals met kubussen. Ik heb me hun mathematiek en kristallografie eigen moeten maken en dan nog moet je steeds alles construeren - je ziet nog de punten van de passer. Doordenken in dodecaëders lukt alleen als je er dagelijks mee omgaat.”

Bij TNO liet Caris dodecaëders maken om vervolgens te experimenteren met ruimtelijke composities. De band met de natuurwetenschap werd versterkt toen in 1984 de 'quasi-kristallen' werden ontdekt: in een legering van vloeibaar aluminium en mangaan ontstond na snelle afkoeling een 'onmogelijk' kristal met een vijftallige symmetrie. “Ik begon te zoeken naar een regelmaat zonder herhaling”, zegt Caris. “Daar is het oog door geboeid. Door mijn intuïtie te volgen, door wat te draaien en uit te proberen, kwam ik tot stapelbare configuraties die op een wetenschappelijk symposium in Utrecht zijn getoond als interessante mogelijkheid.”

Na verscheidene exposities van beelden komt Caris nu voor het eerst met tekeningen. “Dat ik in het Stedelijk hang is belangrijk voor de erkenning van het tekenkundig aspect van mijn werk. Rudi Fuchs volgt me al lang, toen hij nog in Eindhoven bij het Van Abbe zat heeft hij als een der eersten reliëfs van me gekocht. Binnenkort exposeer ik tekeningen en plastieken in Dortmund en Ingolstadt. Erkenning vind ik nauwelijks, de kunstwereld pikt niet wat ik doe. De Mondriaanstichting weigert een bijdrage voor een catalogus omdat mijn werk te wetenschappelijk, te steriel zou zijn. Bekrompen gedacht maar ik laat me er niet door ontmoedigen.”