Azië toont risico's Westerse beleggers

'Emerging markets', opkomende markten, waren begin jaren negentig dé belofte voor beleggers. Mexico, Tsjechië en Azië zorgden daarna voor crises. Beleggers hadden beter thuis kunnen blijven.

AMSTERDAM, 22 OKT. Thailand valt, de Filippijnen en Maleisië duikelen mee, Indonesië daalt en nu wankelen ook de aandelenbeurzen van Hong Kong en Taiwan. Beleggers in emerging markets, de 'opkomende economieën' in de wereld, hebben het niet makkelijk. In de afgelopen drie jaar, zo toont de index voor opkomende markten van de International Finance Corporation - een zusterorganisatie van de Wereldbank - heeft beleggen in opkomende markten per saldo een koerswinst in guldens opgeleverd van 6 procent, tegen 22 procent voor de wereldindex, en ruim boven de honderd procent voor bijvoorbeeld New York en Amsterdam. Ook over een langere periode, vanaf begin 1992, deden aandelen in opkomende markten het slechter dan die op de beurzen van volwassen markten.

Zulke cijfers maken korte metten met een van de twee belangrijkste premissen van het beleggen in emerging markets: dat aandelen van opkomende economieën het per definitie beter doen dan aandelen van bedrijven in volwassen economieën van West-Europa en Noord-Amerika. De gedachte achter deze vooronderstelling was simpel. De economische groei in opkomende landen is een factor twee tot drie groter dan die in Noord-Amerika of West-Europa. De potentiële winstgroei van bedrijven is daarmee navenant groter, en dus is er een vooruitzicht op sterkere koersstijgingen.

Nu is deze vooronderstelling nooit helemaal waar geweest. Ze gaat er aan voorbij dat Westerse ondernemingen - uit de VS, Europa of Japan - zelf fors expanderen in de opkomende markten. Ze maken er een steeds groter deel van hun omzet, en maken via dochters of toeleveranciers grootschalig gebruik van de goedkope arbeid die er voor handen is. Dat komt allemaal terug in de winst - die in Europa en de VS neerslaat.

Een andere, voorname, reden dat beleggingen in emerging markets het nu al vijf jaar niet beter doen dan in volwassen markten, zijn de twee regionale (en een lokale) crises die de groep van opkomende landen hebben gesteisterd. 1993 was een topjaar voor de emerging markets, 1994 ging nog, maar in 1995 trok de Mexico-crisis de Mexicaanse peso en de aandelenbeurs in Mexico-stad diep omlaag, en besmette het 'tequila-effect' ook de andere Latijns-Amerikaanse landen. Begin dit jaar werd Tsjechië getroffen door een kroon-crisis en al bijna een halfjaar wordt Zuidoost-Azië gesteisterd door een crisis op de valuta- en aandelenmarkt.

Het regionale karakter van deze crises ondersteunt ogenschijnlijk de tweede premisse achter het emerging-markets beleggen. De regionale aandelenmarkten in opkomende landen hebben onderling weinig samenhang: in het jaar tot aan vandaag deden aandelenbeleggingen in Latijns-Amerika het ronduit geweldig, gaf Oost-Europa een gemengd, maar positief beeld en werden grote verliezen gemaakt in Azië. In 1995 was dat beeld vrijwel omgedraaid. Per saldo levert een over alle emerging markets gespreide belegging een stabieler rendement op dan de wilde koersbewegingen op de afzonderlijke beurzen doen vermoeden.

Maar hoe groot is een regio? Zuidoost-Azië kan nog als een regio worden beschouwd, maar als de crisis overslaat naar Taiwan, Hong Kong en Zuid-Korea kan moeilijk meer gesproken worden van een regionaal effect.

Van een lage correlatie van emerging markets met de volwassen aandelenbeurzen is wel meer sprake. Dat was een belangrijke reden voor internationale investeerders om beleggingen in opkomende markten in de portefeuille op te nemen. Het hoge risico en hoge rendement in emerging markets, gekoppeld aan een lager risico en lager rendement van de 'volwassen' markten, zou een gecombineerde portefeuille opleveren waarvan de risico-rendementsverhouding gunstiger was dan van de twee afzonderlijk.

Wat de Azië-crisis duidelijk maakt, is dat de wereldmarkt voor aandelen toch meer samenhang vertoont dan werd gehoopt. Die mondiale gezamenlijkheid ligt niet zozeer in de lokale koersontwikkeling van aandelen op de verschillende effectenbeurzen. Die loopt per regio, en zelfs binnen regio's, sterk uiteen. Maar de valuta's waarin de koersen door Westerse beleggers moeten worden teruggerekend, gedragen zich wel gezamenlijk. De daling van de Thaise baht leidde achtereenvolgens tot de aanval op de peso, de ringgit en de roepia. Op de valutamarkt, die sterk luistert naar mondiale signalen als de dollarkoers, Westerse rente-maatregelen en het vertrouwen van internationale beleggers, ligt het grootste 'besmettingsgevaar'. Voor Westerse beleggers is dat belangrijk. Ruwweg de helft van de verliezen die in Azië zijn geleden, zit in de gedaalde koersen van aandelen. De andere helft is het resultaat van de gekelderde baht, peso, ringgit en roepia.

Zo was er de laatste drie jaar per saldo even veel geld te verdienen met het zoeken naar nieuwe beloften in de emerging markets als met het speculeren tegen nieuwe calamiteiten. Waar de eerstvolgende slachtoffers vallen, weet niemand. Maar op Tsjechië na, heeft Oost-Europa al een tijdje geen 'beurt' gehad van het internationale kapitaal.