Alleen bij Mesdag

U zult het met mij eens zijn: museumbezoekers zijn vreselijke mensen. Niet dat ze allemaal hetzelfde zijn. De assertieve types met kale hoofden in het Stedelijk lijken niet op de drommen Italianen en Japanners die het naburige Van Goghmuseum bevolken.

En die zijn weer heel anders dan de wezenloze dagjesmensen in het Groninger Museum of de Kunsthal, de gezinnen met regenjacks in Tromp's Huys op Vlieland en de grootouders met kleinkinderen in het Panorama Mesdag. Maar vreselijk zijn ze allemaal, want een museum is het mooiste als je alleen bent. Museumbezoekers staan u en mij in de weg, praten hoorbaar en plassen op de bril van de museum-wc.

Wat dat betreft hebt u vorige maand weer eens een kans gemist, goede lezer. Als u in de derde week van september naar het Museum Mesdag in Den Haag was gegaan (na eerst in uw oren te hebben geknoopt dat dat iets ànders is dan het gelijknamige Panorama), was u misschien wel de enige bezoeker geweest. Helemaal alleen in een museum met mooie negentiende-eeuwse interieurs, een tuin, en een uitgelezen kunstverzameling van 350 schilderijen: de grootste collectie School van Barbizon buiten Frankrijk, om maar iets te noemen.

Dat u er niet was, is vrij zeker. Ik was er evenmin. De genoemde week was namelijk een dieptepunt in de bezoekcijfers van het afgelopen jaar. Volgens de telling van het museum zelf bezochten slechts 121 personen het Museum Mesdag, de meesten in het weekend. De parketvloeren kraakten van verveling, de koffiekamer lag er verlaten bij en de suppoosten leerden toveren. Wat een kans was dat geweest voor u en mij om ongestoord met onze geheime geliefde naar de 'Maneschijn' van Camille Corot te gaan kijken, of het 'Stilleven met entrecote' van Alfred Verhaeren.

Bij het Mesdag zijn ze wat sip over de geringe opkomst. Zij zijn tegenwoordig gelieerd aan het Van Gogh, en daar komt een miljoen man per jaar, dus het verschil is groot. Maar feitelijk is het natuurlijk een cijfer om opgelucht adem te halen. Ondanks de grote opknapbeurt en heropening vorig jaar herfst is het Mesdag niet, zoals te vrezen was, verdwenen van de lijst doodstille musea waar je even kunt binnenlopen om iets moois te zien, je gedachten te verzamelen of confidenties uit te wisselen.

Over de aantallen museumbezoekers in Nederland deden de laatste tijd angstwekkende berichten de ronde. Ik heb een knipsel uit januari waarin staat dat tussen 1991 en 1996 hun aantal is gegroeid van 4,5 naar 5,4 miljoen: zowat één miljoen meer dus, alleen al in de door het rijk gesteunde instellingen. Dat begint te lijken op de rampzalige groei van ons nationale wagenpark.

Natuurlijk was een deel van die miljoenen te danken aan een paar praaltentoonstellingen en protsgebouwen, maar die doen het niet alleen. Museumbezoek is ook volksvermaak geworden, politiek correct volksvermaak dat wordt aangemoedigd door alles wat een toeter of een drukpers heeft, steunpilaar van de toerismesector. En al dat volk maar in de weg staan, praten en op de museumbril plassen.

Maar gelukkig blijkt hun verspreiding over de musea nog veel ongelijker te zijn dan die van de auto's over het land. De cijfers van Museum Mesdag zijn niet de enige aanwijzing. Laatst, op een zondag in het Stedelijk Museum in Gouda: geen mens. Alleen met mijn geheime geliefde kon ik genieten van Tholens prachtige 'Botter op zee' en de strenge spinster van Michiel Sweerts. Iets langer geleden, in Zutphen, zwierven wij ongestoord door zalen vol modern en middeleeuws moois. De rust kan in de jaren vijftig niet groter zijn geweest.

Zolang het culturele uitstapje in de mode blijft is het maar te hopen dat al die vervelende museumbezoekers elkaar op een paar plaatsen in de weg blijven lopen. Dan kunnen u en ik in alle rust genieten van wat er te zien is in de musea waar nooit iemand komt. Misschien is het vandaag in het Museum Mesdag nog even stil als vorige maand: als u nu gauw gaat kijken, dan wacht ik zelf tot volgende week.