Wetgevers gezocht

In geen jaren heeft een Kamerlid in één keer zoveel essentiële dingen gezegd over parlementair vakmanschap en parlementaire effectiviteit als de christendemocraat mr. Vincent van der Burg in het vraaggesprek met Kees van der Malen in deze krant van 11 oktober. Om de strekking ervan samen te vatten: Kies geen kandidaten die goed in de partij liggen, maar die vooral geschikt zijn voor het parlement.

Goede vraag: wie is een geschikt parlementariër?

Voor Van der Burg is dat iemand die niet in de eerste plaats de wetgevingstechniek beheerst, maar wel de kennis van de parlementaire procedures. Volgens de CDA-veteraan moet een goed Kamerlid het reglement van orde van de Tweede Kamer uit zijn hoofd kennen. Alleen dan kan hij zich tegenover de regering op de been houden en ook in zijn eentje een vuist maken. Het nooit overtroffen voorbeeld voor onervaren Kamerleden is nog altijd wijlen de CPN-fractie, die voor elke regering en regeringsfractie in de jaren zestig en zeventig een geduchte tegenstander was, doordat zij iedereen in procedurekennis de baas was. Voor Van der Burg is die kennis een van de belangrijkste wapens van de parlementaire 'ambachtelijkheid'. De betekenis daarvan blijkt het duidelijkst wanneer het parlement dat wapen verkeerd hanteert. “Ik zie dat steeds minder collega's het reglement van orde kennen en daardoor de mogelijkheden om de regering te attaqueren niet onder de knie hebben. Ik zie het aan de stommiteiten die worden begaan door Kamerleden en aan de kansen die men laat schieten”.

Van der Burgs eigen kennis zal de nieuwe Kamer niet meer baten. Hij keert, na achttien jaar (en achttien rijksbegrotingen) als juridisch specialist in de banken van het CDA te hebben gezeten, na de verkiezingen van volgend jaar niet meer in de Kamer terug. Het valt te vrezen dat zijn pleidooi voor een betere parlementaire opleiding van Kamerkandidaten aan de selectiecommissies van de meeste partijen niet besteed is. In de wervingsadvertentie van de PvdA (in de kranten van 5 april) komt de vakbekwaamheidseis zelfs in het geheel niet voor. Kandidaten moeten voldoen aan een 'brede deskundigheid' op een aantal terreinen, ze moeten 'de begaafdheid' hebben zich in woord en geschrift goed uit te drukken, ze moeten in staat zijn 'snel en adequaat in te spelen op signalen uit de samenleving' en ze moeten ruim in hun 'sociale intelligentie' zitten. Maar over het parlement geen woord.

Waarschijnlijk rekent de selectiecommissie van de PvdA erop dat genoeg ervaring van oudere fractieleden voorhanden is om de nieuwe lichting in het vak in te wijden. Misschien denkt zij, in navolging van Jacob Cats: het verstand komt met het ambt. Maar de methode van leren en afkijken werpt alleen vruchten af als de Kamerfracties in eigen bijscholing voorzien en de nieuwe lichting Kamerleden niet tussen neus en lippen, maar met cursorische dwang procedurekennis bijbrengen, zoals vroegere lichtingen (van verschillende politieke partijen) hun gebrekkige kennis van het reglement van orde bijspijkerden in het Klasje van Vondeling.

Van der Burg heeft daar nog een voorwaarde aan toegevoegd. Hoe onmisbaar vakbekwaamheid op zichzelf ook moge zijn, zonder een toevloed van onafhankelijk denkende en onafhankelijk handelende Kamerleden zal het parlement niet sterker worden dan het is. De effectiviteit van het parlement zit niet in de verkleining van de Tweede Kamer van 150 naar 100 leden, “maar in het selecteren van onafhankelijke figuren die durven zeggen: dit kan niet zo”.

Onafhankelijkheid is in de grote Kamerfracties een schaars goed. Kamerleden laten te vaak 'de mening van de fractie' boven hun eigen oordeel gaan en dagen te zelden het partijbelang uit. Dat komt doordat de grote politieke partijen in de eerste plaats partijlieden kweken die voor hun dagelijks brood volledig afhankelijk zijn geworden van hun partij. Partijlieden conformeren zich gemakkelijk aan het belang van hun partij en aan de fractiediscipline. Te ver doorgevoerde fractiediscipline ondermijnt de kracht van het parlement, doordat het afwijkende meningen knevelt en dissidenten de mond snoert. Een fractiediscipline die fractieleden niet meer toestaat af en toe eens uit de boot te vallen, speelt de regering onnodig in de kaart en ondermijnt de democratie. In die situatie lopen ministers geen enkel risico meer als zij moties aan hun laars lappen, zoals ze dit jaar al tweemaal hebben ondervonden (OV-jaarkaart voor studenten en overerving adel via de vrouwelijke lijn).

Van der Burg stelde het Britse parlement als voorbeeld voor ambachtelijkheid en status, maar het was hem blijkbaar ontgaan dat the Mother of Parliaments niet meer is wat ze geweest is. Tegelijkertijd met het interview met Van der Burg werd in The Guardian een enquête gepubliceerd die het Britse socialistische Lagerhuislid Austin Mitchell (voormalig politicoloog) onder ruim 200 nieuwe Lagerhuisleden had gehouden. Bijna alle nieuwe Lagerhuisleden verklaarden hun kiesdistrict tot hun eerste prioriteit, hun politieke partij tot hun tweede en hun parlementaire werk tot hun derde. De nieuwe Lagerhuisleden zijn volgens Mitchell 'partijfiguren, geen parlementariërs'. Ze weten “meer van campagne voeren dan van het politieke handwerk”. Dat is een handicap die de regering volgens Mitchell sterker maakt en de volksvertegenwoordiging verzwakt. Zelden zal er grotere overeenkomst zijn geweest dan tussen deze opvattingen van een Nederlandse christendemocraat en een (links-radicale) Britse socialist. Als de PvdA van het CDA geen waarschuwing wil hebben, doet ze er in elk geval verstandig aan die van Labour ter harte te nemen.