Schitterende, strak geregisseerde strijd om geluk

Voorstelling: Vrijdag van Hugo Claus door Theater Malpertuis. Regie: Sam Bogaerts. Decor: Bart Clement; kostuums: Hedy Grünewald; muziek: Johan Van Compernolle; spelers: Tania Van der Sanden, Dirk Buyse en Jobst Schnibbe; Gezien: 18/10 Stadsschouwburg, Haarlem. Tournee t/m 30/12. Inl. (020) 626 45 45.

Was Sam Bogaerts in 1989 bij Toneelgroep Amsterdam de bijna-ideale regisseur van Vrijdag (1969) door Hugo Claus, nu, zoveel jaar later, geeft hij met een nieuwe regie van deze Vlaamse tragedie een volmaakte voorstelling. Het onheilszwangere, het nadrukkelijk-symbolische is ditmaal uit de enscenering verdwenen. Zo herinner ik me van toen kerkramen van glas-in-lood waar katholiek licht doorheen viel. Ook klonk er het dreigende slaan van gevangenisdeuren om de spookachtige herinneringen van hoofdpersoon Georges Vermeersch tastbaar te maken; wegens ontucht met zijn dochter draaide hij voor twee jaar de lor in.

Nu, bij het Vlaamse gezelschap Theater Malpertuis, is elke overdadigheid verdwenen. Wat we aanschouwen is onverbloemd naturalistisch spel, strak geregisseerd, schitterend geacteerd en vooral getuigend van een oneindig gevoel voor compassie van zowel spelers als regisseur met de levensstrijd om geluk van de karakters. Sam Bogaerts heeft Claus' tekst bekort. Hij is zelfs zover gegaan om van twee vrouwenrollen een dubbelrol te maken; moeder en dochter versmelten in het spel van Tania Van der Sanden. En met de dochter, Christiane, is het allemaal begonnen, hoewel, niemand weet waar een tragedie ooit begint. Omdat Christiane haar vader verleidde, moest hij boeten; tijdens zijn afwezigheid pleegde zijn vrouw overspel met buurman Erik. Daar kwam een kindje van, dat in de wieg ligt bij Georges' terugkeer. En met deze gegevens als dramatische krachten onstaat een heftig spel van schuld en straf, loutering en vraag om vergiffenis; maar ook wordt er volop gedronken en vooral door de vrouw smachtend naar het tweedehands geluk op de televisie gekeken. Zij houdt van Bonanza en meer nog van De Familie van Outrijve, of de een of andere rijke fabrikant nu wel of niet trouwt met een jong meisje.

Het fascinerende van de voorstelling schuilt in de grootsheid van details. Spelers en regisseur zijn meesters in het observeren. Heel de benauwenis van de Vlaamse huiskamer, waarin de bewoners tot elkaar zijn veroordeeld, komt in het miniemste detail tot leven. De weidse speelvloer van de schouwburg is in twee helften verdeeld; links is het zwart en leeg, rechts staat het meubilair opeengepakt. De spotlights hangen verpletterend laag boven de acteurs. De achterwand is een houten schotje. De versleten canapé met bijna vrouwelijk-ronde vormen, waarop incest en overspel plaatsvonden, domineert als een corpus delicti het decor. In het begin schopt Georges in een daad van onmacht de televisie aan diggelen. Die televisie kreeg zijn vrouw van haar minnaar. Aan het slot, vlak voordat de minnaar voorgoed naar Frankrijk zal vertrekken, brengt hij haar een nieuwe televisie. Een kleuren-tv! Zij is intens gelukkig. Nu kan zij, met haar man, weer een gedroomd leven opbouwen.Geluk is waarover de televisie haar laat dromen.

“Mensen zijn dingen”, fluistert de dochter haar vader in het oor in de verleidingsscène. “Dingen die door lust uiteen worden gescheurd. Ik wil een ding zijn.” De bron van Vrijdag is de verlokking van het sensuele, dat niet gehoorzaamt aan taboes. Maar Georges en Christiane, die toegeven aan hun dierlijke begeerten, moeten daar hoe dan ook levenslang voor boeten. Nooit weer zullen vader en dochter zo een zijn; hun gedeelde liefde was hun paradijs.

Tania Van der Sanden en Dirk Buyse spelen hun wederzijdse verlangen onvergetelijk. Hij, de vader met de brede borstkas, verlegen en schutterig; zij volleerd en geraffineerd. Incest als zuivere liefde, zonder enige smet. Die puurheid maakt van Georges' boetedoening een werkelijke tragedie, want de buitenwereld - buren, rechters, werkgever - veroordelen hem om iets waarvan alleen hij en zijn dochter het geheim weten: zoals het was, was het goed. Naar deze ontdekking, even bevrijdend als aangrijpend, stuurt de voorstelling ons. Het onthutsende van regie en spelers is dat de catharsis bereikt wordt met een stijl en een taal die beide geworteld zijn in het volkstoneel - met alle grandeur daarvan. Hier wordt het aardse subliem. Zoals Georges met een buitensporig groot knipmes ingelegde haring uit een glazen pot vist, zo zou hij zijn rivaal Erik (Jobst Schnibbe) wel aan zijn mes willen rijgen. Dat hij dat niet doet maar wel onophoudelijk dreigt, geeft aan deze voorstelling van Vrijdag een demonische geladenheid.