Nieuwe Norén in omslachtige regie

Voorstelling: Als de bladeren van Vallombrosa van Lars Norén door Theater v/h Oosten. Regie: Leonard Frank. Gezien: 18/10, Schouwburg Arnhem. Herh. v/a 27/10 t/m 11/01. Inl. (026) 442 09 18.

Volgens regisseur en toneelschrijver Karst Woudstra, ontdekker, wegbereider en vertaler van zijn werk in Nederland, is de Zweedse toneelschrijver Lars Norén aan een nieuwe fase in zijn leven begonnen. De tijd van het wroeten in zijn getourmenteerde geheugen, van de verwerking van jeugdtrauma's en ervaringen in psychiatrische ziekenhuizen en de dood van zijn moeder schijnt voorbij te zijn. Norén zou zijn obsessie voor zijn eigen persoonlijke geschiedenis vervangen hebben door een politiek-maatschappelijk engagement.

We moeten het afwachten, maar inderdaad was Een soort Hades (1994-'95), dat vorig seizoen met veel succes werd uitgevoerd door Toneelgroep Amsterdam, als een quasi-objectieve registratie van het leven in een inrichting al een andersoortig stuk dan alle voorgaande. Het erna geschreven Als de bladeren in Vallombrosa (1995), dat nu in première is gegaan bij Theater van het Oosten, vertoont meer trekken van Norén-oude-stijl, maar bevat ook nieuwe, nogal geforceerd aandoende politieke elementen. Zo zijn er verwijzingen naar met olie besmeurde eidereenden, naar werkloosheid en asielzoekende vluchtelingen - maar het zijn problemen waarvan de personages niet wakker liggen.

Hun echte zorgen betreffen, als vanouds, hun onderlinge relaties en het leven zelf. Norén, die éen van de personages bij herhaling aan De Meeuw laat refereren, laat zijn stuk zich afspelen in een typische Tsjechoviaanse situatie.Een familie komt bijeen in een laatste reünie voordat haar zomerhuis verkocht gaat worden. De verhoudingen raken op drift en het (vermeend) gestoorde nichtje zet de brand in het zomerhuis, letterlijk en figuurlijk. Na de brand volgt nog een lang exposé van de nieuwe status quo, waarin ieder voor zich toch weer een evenwicht lijkt te hebben gevonden.

Vier uur duurt de door Leonard Frank geregisseerde voorstelling, die pas in dat laatste deel enigszins spannend wordt. Eindelijk gebeurt er iets, eindelijk wordt er geoogst. Het is mij niet duidelijk of de langdurige en storende onbestemdheid die daaraan voorafgaat ook Norén te verwijten valt. Zijn eindeloze omtrekkende bewegingen duiden niet per se op een minder geslaagd stuk: zeker is wel dat Frank en zijn spelers er nauwelijks mee uit de voeten kunnen. In het realistisch-schetsmatige decor van Judith Lansink slagen de acteurs (onder wie Edda Barends, Margreet Blanken, Rudolf Lucieer en Hugo Maerten) er geen moment in het juiste soort onbehagen op te roepen. Hun spel is angstig en ingestudeerd en ontbeert de noodzakelijke allure en vooral suggestie. Steeds weer - als de verhoudingen weer anders blijken te liggen - krijg je het gevoel niet goed te hebben opgelet. Ze spelen de regels en niet het wit daartussen.

Met uitzondering van Ton Kuyl, de cynische pater familias. Elke keer als hij spreekt, begrijp je waarom: zijn zo te zeggen grimmige onverstoorbaarheid torent hoog uit boven de vruchteloze moeite van de anderen. Hij heeft bezit genomen van zijn personage en beschikt over de capaciteit dat te tonen. Het gebrekkige spel is vermoedelijk een gevolg van Franks regie. De momenten waarop zijn inbreng te onderscheiden is, zijn althans hoogst ongelukkig. Hij gebruikt een omslachtig video-scherm om het verstrijken van de tijd aan te duiden, laat enkele scène-overgangen fast forward spelen en sommige teksten front-zaal zeggen. Een vormmotief worden die rare, in het begin toegepaste vondsten niet. Het is alsof Frank ze later simpelweg vergeten is. Het gevolg is een rafelige, schijnbaar door willekeur bepaalde enscenering, zonder kleur, geur of richting. Alleen de rotsvaste Kuyl blijkt tegen zo'n regisseur opgewassen.