Montenegrijnen diep gefrustreerd

Milo DjukanoviEÉc, een fel criticus van de Joegoslavische leider MiloševiEÉc, won zondag de presidentsverkiezingen van Montenegro. Loopt de Joegoslavische federatie gevaar?

ROTTERDAM, 21 OKT. Na de slag op het Merelveld in juni 1389, waarbij de Turken de Serviërs versloegen, trok - volgens de overlevering - een handjevol Servische ridders het verlaten en onherbergzame land van de Zwarte Bergen binnen. Ze vestigden zich er en werden de stamvaders van de Montenegrijnen.

Montenegrijnen zijn Serviërs, zo vinden ze zelf. Sterker: ze zijn heel pure Serviërs. Anders immers dan de Servische Serviërs hebben zij zich in hun ontoegankelijke bergland nooit vermengd met buurvolken en veroveraars. De Montenegrijnen hebben zich eeuwenlang in hun bergburchten verschanst, hebben zich de Turken van het lijf gehouden: die kwamen nooit verder dan de dalen, in de Zwarte Bergen zelf hadden ze al nooit iets te zeggen. Een volk van vechtersbazen, trots, martiaal, onafhankelijk - straatarm misschien, primitief volgens de criteria van elders, maar helden volgens de eigen criteria: Servische helden. De Montenegrijnen stichtten hun eigen staat vóór de andere Balkan-volken zich bevrijdden van de Turken, met hun eigen heersers: de prins-bisschoppen uit het geslacht PetroviEÉc-Njegoš. Sommigen van die prins-bisschoppen hebben zich voor de Servische cultuur zeer verdienstelijk gemaakt. De laatste niet: koning Nikola werd er in 1918 uitgegooid, Montenegro sloot zich maar al te graag aan bij het nieuwe, door de Serviërs gedomineerde Joegoslavische koninkrijk. En toen in 1991 dat Joegoslavië uiteenviel bleef Montenegro - anders dan Slovenië, Kroatië, Bosnië en Macedonië - liever bij Servië: bloedbroeders.

Maar die liefde is stilaan bekoeld. Het Joegoslavië waarvan de Montenegrijnen in 1991 mèt Servië deel bleven uitmaken was het Joegoslavië van Slobodan MiloševiEÉc, de architect van een Groot-Servië dat desnoods met geweld verwezenlijkt moest worden. Het geweld kwam, twee oorlogen op rij, in Kroatië, in Bosnië. Maar dat Groot-Servië kwam er niet. Wat er wel kwam, voor Joegoslavië - en dus voor Montenegro - waren jarenlange internationale sancties, een internationaal isolement.

De Montenegrijnen liepen nog even heel warm voor die door de Serviërs ontketende oorlogen: zij waren het die Dubrovnik bombardeerden. Maar wel sloeg de ontnuchtering in Montenegro eerder toe dan in Servië. Het toerisme en de scheepvaart vormen vanouds belangrijke industrieën in Montenegro. Beide zijn ter ziele gegaan door de sancties. Alleen al de teloorgang van het toerisme kostte de Montenegrijnen in zes jaar zes miljard dollar. Jarenlang moesten ze het hoofd boven water houden door met de smokkel van olie, sigaretten en andere spullen via Albanië en Italië de sancties te ontduiken. Chef-organisator van die smokkel (en van de economische ontwikkeling, en van de hervormingen in Montenegro): Milo DjukanoviEÉc, de man die zes jaar geleden, op zijn 29ste, premier van Montenegro werd en die zondag tot president werd gekozen.

De door isolement veroorzaakte economische malaise heeft de solidariteit met Servië ondergraven en tot ongenoegen, boosheid, uiteindelijk ook woede geleid. Dat ongenoegen werd danig aangewakkerd door wat in Montenegro werd gezien als Servische arrogantie. Servië telt tien miljoen inwoners, Montenegro maar 600.000. Het was voor Belgrado makkelijk de Montenegrijnen te negeren, over het hoofd te zien. En dat deed Slobodan MiloševiEÉc: hij trok zich steeds minder van de klachten en belangen van (het formeel gelijkberechtigde) Montenegro aan, verving Montenegrijnen op hoge functies in de federatie door Serviërs, beperkte de Montenegrijnse autonomie en nam besluiten zonder Montenegro zelfs maar te raadplegen.

De woede van de Montenegrijnen is geen makkelijke: de banden met de Serviërs zijn daarvoor te oud en te nauw. Het valt de meeste Montenegrijnen emotioneel moeilijk de Serviërs af te vallen of te kritiseren. Uiteindelijk zijn steeds meer van hen overgelopen naar het kamp van de critici rond DjukanoviEÉc, de eerste leider in de federatie die MiloševiEÉc openlijk hekelde en de man die zondag de presidentsverkiezingen in Montenegro won. Maar hoe oud en hecht de banden met Servië zijn blijkt wel uit het gegeven dat zondag, zelfs na zes jaar misère, nog bijna de helft van de Montenegrijnen op de MiloševiEÉc-gezinde kandidaat Momir BulatoviEÉc heeft gestemd.

DjukanoviEÉc is het afgelopen jaar in Servië uitgemaakt voor een separatist: hij zou Montenegro uit Joegoslavië willen losmaken. Heeft hij niet geijverd voor een eigen Montenegrijnse munt, een eigen IMF-lidmaatschap?

Niets wijst er echter op dat DjukanoviEÉc ijvert voor onafhankelijkheid. Zijn gepraat over een eigen munt en een eigen buitenlands beleid moeten eerder worden gezien als schoten voor de boeg van Belgrado, als waarschuwingen dat Belgrado het beleid moet bijstellen, de stabiliteit van de dinar beter moet bewaken. Waarschuwingen, als uitingen van steeds diepere frustratie.

Economisch is Montenegro niet sterk genoeg om op eigen benen te staan. De meeste Montenegrijnen - 83 tot 85 procent van de bevolking, volgens DjukanoviEÉc zelf - willen niets weten van onafhankelijkheid: wat ze wel willen is een eind aan het isolement, ongestoorde handels- en andere contacten met het buitenland en respectering van hun belangen in de federatie. Ze willen niet langer genegeerd of betutteld worden door de grote Servische broer.

De cohabitatie wordt moeilijker. Mogelijk óók van Servische kant, want uit boosheid over de uitslag van de verkiezingen zou Belgrado zich wel eens nog minder - in plaats van meer - aan de Montenegrijnen gelegen kunnen laten liggen en zelfs tot een economische en politieke boycot van Montenegro kunnen overgaan. Het zou niet de eerste keer zijn dat Belgrado zoiets uithaalt: de desintegratie van Joegoslavië begon met zo'n Servische boycot van Slovenië.