Haags Gemeentemuseum verkocht 'met lef' tientallen voorwerpen aan kunsthandel; Afstoten museumstukken niet langer taboe

De ene museumdirecteur wil verzamelingen decimeren, de ander is bezorgd over te veel voortvarendheid in de 'collectiemobiliteit'. Dat bleek op een symposium bij het veilinghuis Sotheby's, dat een podium wil bieden voor een forum over 'ontzamelen'.

AMSTERDAM, 21 OKT. Het Rijksmuseum in Amsterdam heeft onlangs via de kunsthandel een zogeheten Weesper terrine aangekocht voor 75.000 gulden. Het Haags Gemeentemuseum had hetzelfde stuk kort tevoren voor ongeveer 50.000 gulden bij de kunsthandel in de verkoop gedaan. Dit incident zou niet de moeite van het vermelden waard zijn, ware het niet dat het hier om een stuk van ons openbaar kunstbezit ging. Valt dat zomaar te verkopen?

Dat is geen vraag voor het hoofd van de afdeling kunstnijverheid van het Haagse museum Titus Eliëns. Hij predikt een daadkrachtige vorm van “collectiemobiliteit”, lees: afstoten. De afgelopen twee jaar hebben 580 tegels, 220 meubels, 145 voorwerpen van onedel metaal, 85 stuks speelgoed, 50 zilveren objecten, 15 uurwerken, tien keramische voorwerpen, vijf stuks goudleer, vijf tapijten, een gobelin, een diorama en een groot aantal bouwfragmenten de Haagse collectie verlaten.

Het gros ging in langdurig bruikleen (met uitzicht op overdracht) naar een dozijn openbare collecties, variërend van het museum Willem van Haaren te Heerenveen tot de Stedelijke musea van Gouda. Dit past in het moderne museumbeleid. Dat staat in het teken van een overkoepelende benadering, gesymboliseerd door het vorig jaar opgerichte Instituut Collectie Nederland (ICN). Elke collectie heeft zijn eigen karakter, maar Nederland is te klein voor opzichtige doublures. “Niet elk museum behoeft zijn eigen variant van dezelfde postzegel”, zoals Eliëns het uitdrukt.

Tientallen afgestoten Haagse objecten vonden hun weg naar de kunsthandel. Zoals de Weesper terrine. Verkoop van openbaar kunstbezit is van andere orde dan een bruikleen met uitzicht op overdracht aan een publieke collectie. De kwestie kwam vijf jaar geleden met een schok in de publieke belangstelling te staan door de voorgenomen verkoop van drie belangrijke schilderijen - twee Picasso's en een Monet - uit het Haags Gemeentemuseum door de toenmalige directeur Rudi Fuchs. Die ging overigens niet door.

Inmiddels is het taboe van dit onderwerp af, constateerde ICN-directeur Rik Vos gisteren op het symposium Museumdepots: museumlusten of museumlasten? bij Sotheby's in Amsterdam. Het veilinghuis wil nog niet spreken van een nieuwe museale aanvoerlijn, het beperkt zich tot het bieden van een forum over “ontzamelen” zoals Vos het noemde. Aan deze nieuwe museumformule ligt een simpele aftelsom ten grondslag: Tien procent van de collectie wordt tentoongesteld (zeker nu er in de musea ruimer wordt gehangen). Tien procent zit in wisselende opstellingen. Tien procent wordt uitgeleend. Tien procent is “administratief zoek”. Dit laatste percentage zou voor sommige musea nog wel eens geflatteerd kunnen zijn. In elk geval is al gauw zestig procent van de openbare collecties in Nederland gedoemd om eeuwig in depot te blijven.

Musea hebben meer voorwerpen dan ze kunnen verzorgen. De nieuwe generatie van museummanagers blijkt het vooral dwars te zitten dat hun bezit, in Vos' woorden, is komen “binnendobberen” als onderdeel van in het verleden geschonken collecties die men niet kon of wilde weigeren. “Matig geselecteerd, niet systematisch bijeengebracht en slecht beschreven”, zoals directeur Derk Snoep van het Frans Halsmuseum in Haarlem het noemt. De overvolle depots zijn volgens Eliëns vooral een erfenis van “de hebzucht en behoudzucht van beheerders die geen keuze konden maken.”

Snoep is voorstander van het “decimeren” van de collecties. Directeur Jup de Groot van het Dordrechts museum is daarentegen bezorgd over al te veel voortvarendheid. Zijn collectie bevat een groot aantal werken van de 19de-eeuwse schilder Ary Scheffer, werken die hij ook liever geselecteerd had aanvaard. Maar deze collectie ís er nu eenmaal: “mag je een verzameldaad uit de negentiende eeuw uitwissen?”

De depots hebben, volgens de nieuwe directeur van het Van Gogh Museum John Leighton, bovendien een niet te verwaarlozen referentiefunctie: “je verkoopt ook geen boeken uit een bibliotheek omdat ze weinig worden uitgeleend”.

Vlak ook het gevaar van missers bij verkopen niet uit. Zie de controverse over de Weesper terrine. Eliëns is daar laconiek over: “afstoten doe je nooit goed”. Hij spreekt van 'een bedrijfsrisico'. “Enig lef is onontbeerlijk”. Tegenover eventuele missers bij het afstoten staan evenzovele missers in de vorm van niet-aangekochte voorwerpen. Maar daar praat niemand over.

Eliëns betitelde zijn daadkrachtige vervreemdingsbeleid overigens ook als “delicaat” en toonde zich huiverig voor een al te brede discussie. Openheid is echter een eerste voorwaarde, betoogde het Kamerlid Sari van Heemskerck (VVD) op het symposium van Sotheby's. Zij bepleit een drietrapsraket voor de aanpak van het probleem van de verstopte museumdepots: Méér wisseling van tentoongestelde stukken. Een ruilbeurs tussen musea onderling (ook mondiaal) met behulp van het nieuwe computernetwerk van het ICN als makelaar. En als dit alles niet helpt: verkopen, maar dan voor de beste prijs.

Voor verkoop dient de museumsector volgens het Kamerlid een gedetailleerd beslissingsprotocol op te stellen. Een “euthanasieprotocol” werd het genoemd in de discussie. Deze vergelijking viel niet overal even goed. Maar hij geeft wel de vereiste graad van precisie aan. Onder een vorige directie verkocht het Haags Gemeentemuseum al eens delicaat een uniek, 17de-eeuws stilleven van Adriaen Coorte - later goed voor een miljoen - en ook de directrice van het Centraal Museum in Utrecht deed na de oorlog volgens insiders menige discutabele transactie.

De geschiedenis van het verzamelen is een geschiedenis van het ontbreken van een verzamelbeleid, zegt Vos. En volgens John Leighton behoort iedere collectie “een grillig element” te hebben.