Geweld

Onder de kop 'Geweld in de verzorgingsstaat' schrijft Maarten Huygen op 9 oktober plompverloren: “Nederland is de grote wereld nog aan het inhalen in dodelijke klappen en schoten.” Is dat zo? Ik geloof het niet.

En wie of wat is die grote wereld? Amerika? Denkt hij dat de USA ons voorgaan, dat US vertaald kan worden als ons, 'zometeen'? Maar inzake geweld lijkt me dat onzin. De VS gaan ons hierin niet vóór, ze lopen juist achter. Bovendien is er de misdaad de laatste paar jaren op haar retour, overigens net als in Nederland.

Maar Huygen weet het zeker: “Uiteindelijk berust de samenleving”, vervolgt hij, “zo is het ook gegaan met verkeersslachtoffers. Politieagenten hopen van hun fouten te leren, maar er zijn teveel nieuwe situaties om het hoofd te bieden. Ze worden meegesleurd in de escalatie van hardheid.” Maar is er niet eerder sprake van een escalatie van afschuw en gevoeligheid voor de hardheid van geweld? En ook van een escalatie in de brede publieke belangstelling voor de dood, van een oplopende fascinatie met de dood als het einde, met sterven en rouwen?

Het stukje eindigt ronduit tendentieus. Aan het slot van een beschrijving van de slachtofferhulp die de Nederlandse politie na een gewelddadig incident met dodelijke afloop heeft geboden, citeert Huygen een vrouw die het heeft meegemaakt: “De emoties zijn nu langzaam aan het zakken”, zegt zij. “Als het niet gebeurt, zoeken we het hogerop.” Deze slotzin wekt de indruk dat 'vadertje verzorgingsstaat' een wereldvreemd soort van vertrouwen heeft gewekt. Het is het soort van vertrouwen dat eind jaren zeventig al werd bespot met teksten als '...en waar moet ik mij vervoegen om te horen tot wie ik mij moet wenden om te zien wat er voor mij gedaan kan worden?' Vanaf de jaren tachtig hebben bezuinigingen en institutionele vernieuwingen 'deze wereldvreemde vormen van de gemoedsrust van de verzorgingsstaat' steeds verder verdreven en naar de marge gedrongen. Huygen heeft er nog een restje van gevonden, maar uit de manier waarop hij over de slachtofferhulp schrijft begrijp ik dat dit restje voor hem model staat voor het gros van de Nederlandse bevolking. Huygen heeft dit stukje geschreven alsof hij het licht heeft gezien, maar het is een dwaallicht; ergens moet hij een paar afslagen hebben gemist.