'Echte armoede is duurzame armoede' geldt voor 900.000 mensen

Vandaag is het rapport 'de kwetsbaren' aangeboden aan minister Melkert (Sociale Zaken en Werkgelegenheid). Het is het vijfde onderzoek naar armoede in één jaar tijd, dit keer over categorieën armen. Arme kinderen doen het slechter op school en voor arme ouderen is het dieptepunt bereikt.

UTRECHT, 21 OKT. Arm of niet arm is niet alleen een kwestie van geen werk of werk. “Voor alleenstaande ouders blijkt het vinden van een partner belangrijker om uit de armoede te raken dan het vinden van een baan”, zegt professor G. Engbersen, socioloog aan de Universiteit van Utrecht. Hij overhandigde vandaag het tweede jaarrapport 'Armoede en sociale uitsluiting' aan minister Melkert. Het eerste rapport, 'arm Nederland', was nog een algemene verkenning om het begrip 'armoede' op de kaart te zetten. Een groot aantal onderzoekers gaat in deel 2, 'de kwetsbaren', in op de oorzaken en gevolgen van armoede voor specifieke bevolkingsgroepen.

Eindredacteur Engbersen formuleert het zo: “Zijn groepen mensen zelf schuldig aan hun armoede of wordt het buiten individuen om veroorzaakt? Wij menen het laatste. Maar niet iedere oudere, zieke, allochtoon of alleenstaande ouder leeft in armoede.”

Zijn eerste rapport kreeg wat hem betreft op de verkeerde manier aandacht. In dat rapport was een tabelletje opgenomen waaruit onder meer bleek dat 22.000 huishoudens te arm zijn om voldoende te eten en dat in zo'n 150.000 gezinnen uit financiële overwegingen de kachel te laag werd gezet. Maar bij armoede draait het niet alleen om materiële zaken, aldus Engbersen. Het gaat ook om het immateriële, het vermogen om mee te draaien in de samenleving.

Helaas is die maatschappelijke participatie nauwelijks te meten en bepaalt ook in het rapport van Engbersen het inkomen de mate van armoede. Het bijstandsniveau, ofwel het sociale minimum, ofwel netto duizend gulden voor een alleenstaande, 1.400 gulden voor een éénoudergezin en tweeduizend voor een samenwonend stel is dan de maatstaf voor een arm huishouden.

Bijna één miljoen huishoudens moesten het eind vorig jaar doen met een laag inkomen, leerde eerder onderzoek. Eenderde van alle Nederlanders heeft de afgelopen tien jaar minstens één jaar rond het sociaal minimum geleefd. Dergelijke momentopnamen geven echter geen indicatie voor armoede, zegt Engbersen: “Echte armoede is duurzame armoede.” Vijf van de afgelopen tien jaar leven van het sociale minimum, dat is armoede. Zo'n 900.000 Nederlanders overkwam het.

Bij een éénoudergezin is de kans dat het langdurig moet rondkomen van een zeer laag inkomen 60 procent tegen 20 procent voor twee-oudergezinnen. Engbersen: .“Evident is dat naarmate meer mensen in het gezin zitten, de bescherming tegen armoede sterker is.”

Een kwart miljoen kinderen, 8 procent van alle kinderen, groeien op in arme gezinnen - in één- en twee-oudergezinnen. Arme kinderen doen het slechter op school en ontwikkelen vaker probleemgedrag dan kinderen uit niet-arme gezinnen. Uitsluitend het feit dat een kind (2 tot 12 jaar) uit een gezin komt met een gering inkomen, bepaalt volgens Engbersen zijn of haar toekomst. Engbersen: “Ergens is een zelfstandig effect, dat dus niets te maken heeft met bijvoorbeeld de opleiding van de ouder of het feit dat het kind in een eenoudergezin opgroeit, maar waar puur door het lage inkomen kinderen beginnen met een ongelijke start en uiteindelijk eerder in aanmerking voor slechte banen komen.” Zo wordt armoede van generatie op generatie doorgegeven. Op een vergelijkbare manier trachten de onderzoekers te verklaren waarom armoede onder allochtonen drie à vier keer zo vaak voorkomt als onder autochtonen. “Dat is niet uitsluitend te herleiden tot een lage inkomenspositie of een type huishoudvorm. Daar speelt een andere factor een rol: de etnische factor, dus onder meer discriminatie”, benadrukt Engbersen.

Naast kinderen en allochtonen besteedt het rapport van Engbersen ook aandacht aan ouderen en chronisch zieken. Voor de eerste groep is de armoede-situatie tegenwoordig even slecht als tijdens het 'armoede-dieptepunt', midden van de jaren tachtig. Ouderen bezuinigen steeds meer op voedsel en kleding wegens de stijgende woonlasten, lokale lasten en verplichte eigen bijdragen. De grenzen van een redelijk bestaan zijn wat Engbersen betreft in zicht gekomen.

Voor gehandicapten en chronisch zieken dient het armoedeprobleem zich dubbel aan, omdat ze met hun geringe inkomen voor hogere uitgaven staan. Gehandicapten, chronisch zieken noch ouderen kunnen hun inkomen verbeteren, want dat kan alleen als zij gaan werken.

Door dit kabinet, en ook door het vorige, wordt werk niettemin als het middel bij uitstek gezien om armoede mee te bestrijden. Het hele stelsel van sociale zekerheid heeft begin jaren negentig dan ook een omslag gemaakt van een systeem waarin voor verschillende groepen een zeker inkomen werd gegarandeerd, naar een stelsel waar het terugbrengen van mensen naar de arbeidsmarkt centraal staat. Van vangnet naar trampoline.

Ten aanzien van de armoedebestrijding heeft dit volgens Engbersen gunstig uitgepakt voor de nieuwkomers op de arbeidsmarkt. Maar voor het overgrote deel van de armen is een baan niet aan de orde. Ze zijn te oud, gehandicapt, ziek of zo lang werkloos dat ze van geen enkele toegevoegde waarde zijn voor de arbeidsmarkt. “Voor bepaalde groepen die geen toegang meer hebben tot de arbeidsmarkt zie je verslechteringen”, zegt Engbersen. De afstand tussen deze van de arbeidsmarkt afgesneden 'have nots' met de rest van de bevolking groeit. De oplossing, een verhoging van de uitkeringen, wordt over het algemeen als schadelijk voor de arbeidsmarkt ervaren, omdat daarmee de prikkel om werk te aanvaarden, wordt weggenomen wordt. Maar voor deze groepen is die prikkel niet aan de orde en wat Engbersen betreft kunnen ouderen, zieken en zeer langdurig werklozen dan ook zonder enig gevaar inkomenssteun krijgen.

Armoede-onderzoek is 'in'. In één jaar verschenen er vijf:

Arm Nederland (oktober 1996). Een globale verkenning van armoede in Nederland. Eén gegeven trok sterk de aandacht: 22.000 huishoudens lijden honger.

Tweedeling in perspectief (WRR-rapport, januari 1997). De kans op tweedeling neemt af: de groep achterblijvers wordt steeds kleiner.

Armoedemonitor 1997 (SCP-rapport, september 1997). Eén miljoen huishoudens zijn arm; eenderde daarvan zegt moeite te hebben met rondkomen. Eenderde van de hen die er recht op hebben maken geen gebruik van de huursubsidie.

Armoede en armoedeval (interdepartementaal rapport, september 1997). Regelingen waarvoor de hoogte van het inkomen bepalend is hebben meer nadelen dan voordelen. Beter is het om ze voor iedereen via de belasting uit te keren.

De kwetsbaren (oktober 1997): oorzaken van armoede toegespitst op bevolkingsgroepen. Een kwart miljoen kinderen groeit op in arme gezinnen. Een baan is voor grote groepen een gepasseerd station.