Dreigende donderwolken boven Amerika

Tentoonstelling: Thomas Moran. The National Gallery of Art, Washington. T/m 11 januari.

Thomas Moran: Chasm of the Colorado (1873-74) (Foto: Department of the Interior Museum)

Thomas Moran, een van de grote Amerikaanse landschapsschilders van de negentiende eeuw, is wel 'de vader van de nationale parken' genoemd. Zijn aquarellen van de ruige watervallen, dampende geisers en grillige rotsformaties van Yellowstone, inspireerden het Congres in 1872 om voor het eerst een stuk natuur tegen economische ontwikkeling te beschermen en uit te roepen tot Nationaal Park.

Het onherbergzame oord in de Rocky Mountains, dat ooit bekend stond als 'de plaats waar de Hel naar boven borrelt', werd vanaf dat moment niet alleen een favoriete toeristenbestemming. Het werd ook een symbool van de ontzagwekkende Amerikaanse natuur, en een belangrijk deel van de nationale identiteit.

Moran maakte schilderijen als volksliederen. Donderwolken storten zich uit boven dramatische bergkloven, vuilgele zwavelpoelen pruttelen en koken, en boomstammen worden krakend meegesleurd in woeste bergbeken. Maar al dat natuurgeweld wordt overstemd door een melodie die uit vrijwel al zijn werk opklinkt: de triomfantelijke klanken van America The Beautiful, het onofficiële Amerikaanse volkslied: America! America! God shed His grace on thee.

Niet voor niets kocht het Congres in de jaren zeventig van de vorige eeuw twee reusachtige olieverfschilderijen van Moran aan, het ene een panoramisch zicht op de grote kloof in het Yellowstone Park (Grand Canyon of the Yellowstone), het andere een majestueuze onweersbui boven de Grand Canyon (Chasm of the Colorado). En toen president Clinton het Witte Huis betrok koos hij ervoor om tegenover zijn bureau in de Oval Office Morans schilderij The Three Tetons aan de muur te hangen, een bergmeertje omzoomd met pijnbomen waarover de drie besneeuwde toppen in de verte stil de wacht houden. In de National Gallery in Washington zijn deze drie doeken te zien op de eerste overzichtstentoonstelling die ooit aan het werk van Moran is gewijd.

Thomas Moran (1837-1926) vond zijn onderwerp toen het tijdschrift Scribner's Monthly Magazine hem in 1870 vroeg om een paar amateuristische schetsen uit te werken die waren binnengekomen als illustraties bij een artikel over een eigenaardig gebied in het Verre Westen, dat Yellowstone heette. Die opdracht opende Moran de ogen. Er bestond destijds al een groot publiek voor landschappen uit het Westen, vooral de schilder Albert Bierstadt maakte er naam mee. Maar Yellowstone was nog door geen schilder bezocht.

Moran, een autodidact die ooit naar Engeland was gereisd om het werk van Turner te kunnen bestuderen en kopiëren, greep zijn kans en sloot zich aan bij een geologische expeditie. Het werd de eerste van zijn vele tochten naar het Westen. Een deel van de reis werd betaald door de Northern Pacific Railraod, want de spoorwegmaatschappij zag in het toerisme naar het Westen al een aantrekkelijke markt.

In topografische nauwkeurigheid was Moran niet geïnteresseerd. Zijn werk was ook in zijn eigen tijd al nostalgisch. Foto's die tijdens de expeditie zijn gemaakt laten zien dat Moran zijn visie op het Westen zuiverde van alle tekenen van economische vooruitgang. Voor spoorrails, bruggen, fabrieken en schoorsteenpijpen was in zijn schilderijen geen plaats. Voor sierlijke indianen in het avondlicht, of een enkele in mijmering verzonken ontdekkingsreiziger, des te meer. De invloed van Turner, met zijn wild gekleurde luchten, hangt steeds zwaar boven het Amerikaanse landschap.

De aquarellen en olieverfschilderijen van die eerste expeditie vestigden niet alleen de reputatie van Yellowstone, maar ook die van Moran. Trots en dankbaar signeerde hij voortaan met een monogram dat bestond uit de letters T, Y en M - Thomas 'Yellowstone' Moran. Hij zou altijd bekend blijven als een schilder van het Westen, ook al strekte zijn werk zich later uit tot Mexico, Cuba, Venetië en New York. Zijn zicht op Manhattan, met veel gore grijs- en bruintinten, toont zelfs onverbloemd de economische bedrijvigheid van de metropool in aanwas.

Moran moet geworsteld hebben om de onmetelijke uitgestrektheid van de landschappen die hij schilderde, in hun bovenmenselijke maten op het doek te treffen. Soms geeft hij de immense omvang van de bergen en valleien aan door op de voorgrond een paar nietige mensjes te schilderen, die bijna verpletterd worden door de grootsheid van hun omgeving. Maar die truc heeft mensen nog nodig, terwijl het hem juist gaat om de natuur in haar ongereptheid.

Op The Chasm of the Colorado is de natuur alleen. Wie opeens oog in oog staat met dit enorme doek (van 2,13 bij 3,65 meter), voelt zich als de wandelaar die naar adem happend op de rand van de Grand Canyon staat. De rode rotsen, oud als de wereld, rijzen op uit het niets - rij achter rij achter rij, zo ver het oog reikt. Witte wolken drijven in de gapende diepte. Zwart, grijs en bruine wolken hangen woedend in de lucht, en ranselen het rode gesteente met hun neerslag. De mens heeft hier niets te zoeken, zegt het schilderij, maar hij zal er altijd door geboeid blijven.