Virtuoos spel vol dubbele bodems

Voorstelling: Het belang van Ernst van Oscar Wilde door Noord Nederlands Toneel. Vertaling: Gerrit Komrij; regie: Karst Woudstra; decor en kostuums: Mechtild Schwienhorst; spel: Christo van Klaveren, Kees Boot, Pleuni Touw, Fabiënne Meershoek, Gonny Gakeer, e.a. Gezien: 18/10 Stadsschouwburg Groningen. Tournee: 21/10 t/m 14/1. Res. Nationale Theaterkassa: 0900-9203.

De personages in The importance of being Earnest van Oscar Wilde horen zichzelf graag praten. In dit 'lichtvaardig blijspel voor serieuze mensen', zoals Wilde zijn in 1895 verschenen salonkomedie omschreef, is de briljante conversatie tot kunst verheven. Aan het woord zijn de Engelse societykringen uit het eind van de vorige eeuw: men heeft geen belangrijkere bezigheid dan bij elkaar op de thee gaan om onder het genot van 'lichte verversingen' de ander tijdens een flitsend verbaal steekspel met de volmaakte formulering de mond te snoeren.

Het is een omgangsvorm die niet noodzakerlijkerwijs voorschrijft dat de spreker ook meent of bedoelt wat hij zegt. Integendeel. De figuren tonen zich op een charmante manier gevoelloos en ze strooien onbekommerd met leugens, immers, zo meent één van hen: “als het om waarlijk belangrijke dingen gaat, gaat het om stijl en niet om oprechtheid.”

In Het belang van Ernst, zoals de voorstelling door het Noord Nederlands Toneel in de vertaling van Gerrit Komrij heet, neemt het bedriegen een hoge vlucht. Personages geven zich voor een ander uit of blijken later niet diegene te zijn die ze altijd dachten te zijn. Al gauw ontstaat een virtuoos en haast onnavolgbaar spel van dubbele bodems, omkeringen en persoonsverwisselingen die terug te voeren zijn tot de gespannen relatie tussen aristocratie en de welgestelde middenklasse. Zo steekt Oscar Wilde aan de ene kant de draak met de rijke burger wiens hoogste ideaal het is tot de adel door te dringen, aan de andere kant spot hij met de adel die angstvallig de lagere kringen op afstand tracht te houden met het credo: 'geen werkmanshanden aan de hogere standen'.

Karst Woudstra, die het stuk nu in Groningen heeft geregisseerd, koos ook voor spot. Zijn enscenering, die berust op overdrijving, is kluchtig. Niet op een vette manier maar lichtvoetig en vaak amusant. Spel, aankleding, ja alles is nadrukkelijk gekunsteld als om aan te geven dat het maniërisme van deze personages een doel op zich is.

Kunstmatig is bijvoorbeeld het decor: een combinatie van barok meubilair met veel houtsnijwerk, een gestileerd vormgegeven tuin en moderne kamerschermen. Het is de scheidslijn tussen twee eeuwen die ontwerpster Mechtild Schwienhorst hier mogelijk verbeeldt; los daarvan is het vermakelijk om te zien, evenals haar schitterend theatrale negentiende-eeuwse kostuums en de exuberante hoofddeksels voor de vrouwen.

Ook het grimewerk is overdadig, de acteurs hebben wit gepoederde gezichten en vuurrode blosjes op de konen (de vrouwen). Onder haar hoeden als vliegende schotels lijkt Pleuni Touw een bitse toverkol. Zij is Lady Bracknell, een dame van adel die fel gekant is tegen de aanstaande verloving van haar dochter Gwendolen (Fabiënne Meershoek) met de gegoede burgerman John Worthing (Christo van Klaveren). Ze is bij tijd en wijle een superieure helleveeg; ook erg mooi vond ik haar verveelde afstandelijkheid.

Haar tegenspelers leveren uitstekend weerwerk. Men reageert spits en bliksemsnel, met luide geaffecteerde stemmen. Vooral Kees Boot als Lady Bracknells neef Algernon gaat die zelfgenoegzame toon goed af, het is bij hem 'beste kerel' voor en na op een manier alsof hij niet anders gewend is.

Voor de pauze dreigt dit toontje van de spelers soms al te gepolijst te worden maar in het derde en vierde bedrijf overheerst het vuurwerk en lijken met name Fabiënne Meershoek en Gonny Gakeer als twee nuffige jonge juffrouwen hun draai gevonden te hebben.