Statuut en geld

JOSÉ MARIA GIL-ROBLES zet hoog in. De voorzitter van het Europees parlement schat dat de leden met een vast, door de Unie verzekerd inkomen van ruim boven de twee ton tevreden zouden zijn. Hij zou dan in één klap twee problemen hebben opgelost: er zou een einde worden gemaakt aan de grote diversiteit in de nationale uitkeringen aan Europarlementariërs, en voor de corrumperende praktijken van volksvertegenwoordigers zou de aanleiding wegvallen. De slechte betaling door sommige lidstaten leidt tot een overmatig putten uit de tweede geldstroom van declaraties en speciale tegemoetkomingen.

Een en ander moet bestanddeel worden van een statuut voor het Europees parlement waartoe op de top van Amsterdam is besloten. Het parlement zelf wil met voorstellen komen zodat nog voor de verkiezingen van 1999 overeenstemming kan worden bereikt. De bedoeling is dat het statuut niet alleen de (financiële) positie van de Europese volksvertegenwoordigers versterkt, maar dat nauwkeurige en heldere gedragsregels de reputatie van het parlement ten goede komen.

Het Europees parlement staat slecht aangeschreven. Dat blijkt uit de geringe aandacht voor het werk van het parlement. Van de weeromstuit worden de schandalen en schandaaltjes wel onder het vergrootglas gelegd. De chronisch lage opkomst bij verkiezingen tast de reputatie verder aan. Een vicieuze cirkel is zo ontstaan, waaruit het parlement zich niet weet te bevrijden.

De gedachte dat de Europarlementariërs zaken behandelen die de belangen van de Europese burgers raken is niet doorgedrongen. Toch is dat het geval, maar de Europese organen staan ver af van het dagelijks leven en de uitvoering van Europese regels is veelal een zaak van de nationale autoriteiten. Europese regels komen doorgaans in het nieuws als zij als hinderlijk worden ervaren of als een aantasting van nationale belangen. Het debat erover in het eigen parlement kan nog tot commotie leiden, wat het Europees parlement besluit wordt op zijn best voor kennisgeving aangenomen.

HET PARLEMENT VORMT met de Commissie en het Hof het integrerende deel van de Europese eenwording. In wezen is het de belangrijkste en meest open tegenspeler van de Raad van Ministers. Van de suggestie bijvoorbeeld dat die ministers in hun nationale parlementen ter verantwoording worden geroepen voor de besluiten die zij in de Raad nemen, komt in de praktijk niet veel terecht. De inzet en de uitkomst van het besloten overleg van de bewindslieden kunnen in het Europees parlement worden getoetst. Als dat niet tegen zijn taak blijkt opgewassen, is dat eerder reden tot zorg dan tot leedvermaak.

Democratie kan slechts bestaan bij de wil van de burgers. De moderne parlementen zijn ontstaan uit een min of meer revolutionaire situatie of zijn opgelegd na een nederlaag in een oorlog. Voor het Europees parlement zijn voldoende succesvolle voorbeelden voorhanden. Maar het is een abstracte constructie gebleven die er niet in is geslaagd een gevoel van onmisbaarheid op te wekken. Dat zal Gil-Robles nog opbreken wanneer de Europese parlementariërs zich door zijn sirenenzang laten verleiden. Want ook voor volksvertegenwoordigers geldt dat zij aanzien en beloning moeten verdienen.