Hoorzitting in de Tweede Kamer: Kunnen Iraanse asielzoekers veilig worden teruggestuurd naar hun land? 'In angst opgegroeid'

Na twee jaar van vele Iraanse protesten wist de asielzoeker Nasseri afgelopen zomer de aandacht van Nederland te trekken. Hij ging in hongerstaking. Het leverde hem niets op; zijn aanvraag werd afgewezen. De commotie rond zijn hongerstaking leidde wel tot een hoorzitting, vandaag in de Tweede Kamer. Daar spreken deskundigen over het gewraakte ambtsbericht van Buitenlandse Zaken, waarin staat dat Iran “niet onveilig” is. Op basis van dat ambtsbericht heeft justitie bepaald dat uitgeprocedeerde Iraanse asielzoekers terug kunnen. Ook komt het beleid van andere Europese landen ter sprake, waaronder Zweden en Duitsland.

“Ik ben in angst opgegroeid. Met mijn ouders, broers en zussen woonde ik in een kleine stad in het noorden van Iran. Op een dag pakte de sawak, de geheime dienst van de sjah, een aantal mensen uit onze straat op. Ze hadden zich negatief uitgelaten over het regime van de sjah. Jarenlang waren deze mensen verdwenen.

Nu kom ik in Nederland, door mijn werk als tolk, in aanraking met Iraniërs die door landgenoten zijn bedreigd. Ze mogen niet langer het Iraanse regime bekritiseren. Natuurlijk houden ze hun mond. Nederlanders kunnen zich dat niet voorstellen: een heel volk, opgevoed in angst. Maar zelfs in Nederland, waar iedereen zo openlijk kritiek uit, ben ik nog altijd voorzichtig met mijn uitspraken over de Nederlandse politiek.

Mijn ouders praatten heel soms over politiek; voorzichtig en binnen onze muren. De revolutie in 1979 was voor ons een overwinning. We waren gelukkig, en zelfs de verdwenen bewoners uit mijn straat keerden terug. Wij wilden vrijheid: van meningsuiting, van politieke partijen. Ons land is bijzonder rijk aan natuurlijke bronnen. Wij wilden dat die rijkdom voor het volk was. Waarom liep het anders? De macht kwam al snel in handen van de mullahs (Iraanse geestelijken, red.). Iraniërs zijn zeer gelovige mensen en de mullahs hebben daarop ingespeeld.

Zo stuitte ik een keer op een controlepost en moest ik mijn reispapieren laten zien. Een jongen, met een geweer voor zijn borst, hield het document ondersteboven. Hij kon niet lezen, maar had een onvoorwaardelijk geloof in de islam. De mullahs stelden deze mensen aan, gaven hen macht en geweren. Een directeur kon niet eens zijn handtekening zetten, maar ging wel een groot bedrijf leiden.

In Iran heerst wantrouwen. De mullahs hebben daarvan gebruik gemaakt. De situatie verslechterde met de dag: kranten werden verboden, muziek werd niet langer gedraaid, het gebed op vrijdagmiddag werd verplicht. En het volk maakte geen vuist.

Ik ondernam activiteiten tegen het regime van Khomeiny en belandde daardoor diverse malen in de gevangenis. De laatste keer kocht mijn familie mij na negen maanden cel vrij. Vlak daarna ging ik met hulp van een mensensmokkelaar te voet door de bergen naar Pakistan en door naar Turkije. Mijn familie betaalde voor die tocht 4.500 dollar.

Bij mijn vertrek dacht ik: 'ik ga even weg, tot het islamitisch regime is gevallen'. Dat is nooit gebeurd. Sinds dertien jaar ben ik, inmiddels 39 jaar oud, in Nederland. Nooit ben ik naar mijn moederland teruggekeerd. Daarom kan ik niet oordelen over de huidige situatie in Iran - net zomin als het ministerie van Buitenlandse Zaken dat kan. Waarop is het ambtsbericht van dat departement over Iran gebaseerd? Op de ervaringen van een Nederlandse ambtenaar, die in een luxe hotel verblijft, met een hoge functionaris van de Iraanse regering spreekt en voor de gek wordt gehouden. Echt onderzoek verricht men onder het volk.

Natuurlijk heb ik ook mijn twijfels. Dan zegt een Iraanse asielzoeker in de cel te hebben gezeten en toont hij een stuk papier met allerlei officiële stempels om zijn verhaal te bevestigen. Maar in Iran krijgt een ex-gedetineerde geen bewijs dat hij in de gevangenis heeft gezeten. Ik kan het weten.''