Hoorzitting in de Tweede Kamer: Kunnen Iraanse asielzoekers veilig worden teruggestuurd naar hun land? 'Soms haalden ze vrouwen weg, ik hoorde schoten'

Na twee jaar van vele Iraanse protesten wist de asielzoeker Nasseri afgelopen zomer de aandacht van Nederland te trekken. Hij ging in hongerstaking. Het leverde hem niets op; zijn aanvraag werd afgewezen. De commotie rond zijn hongerstaking leidde wel tot een hoorzitting, vandaag in de Tweede Kamer. Daar spreken deskundigen over het gewraakte ambtsbericht van Buitenlandse Zaken, waarin staat dat Iran “niet onveilig” is. Op basis van dat ambtsbericht heeft justitie bepaald dat uitgeprocedeerde Iraanse asielzoekers terug kunnen. Ook komt het beleid van andere Europese landen ter sprake, waaronder Zweden en Duitsland.

“Ik heb tien jaar als verpleegster in Teheran gewerkt. Overdag ging ik naar school en 's avonds werkte ik in een ziekenhuis. Na de revolutie van 1979 veranderde de situatie in Iran weinig. Wij bleven onze traditionele uniformen dragen, met korte mouwen en petjes op ons hoofd. Maar op een gegeven moment moesten we een donkerblauwe mantel met lange mouwen aan. Eerst lachten we er onderling over - later niet meer. Als een verpleegster een patiënt een injectie wilde geven en ze schoof daarbij haar hoofddoek iets naar achteren, dan werd ze in het kantoor geroepen. Zo hoorde een islamitische vrouw zich niet te gedragen, zei de directie dan.

Langzamerhand verdwenen mijn collega's, werd een klasgenoot opgepakt. Ik deed altijd iets verkeerd; ik hield een pols te lang vast of ik had te zeer mijn best gedaan bij de massage van een bedlegerige patiënt. Op een avond werd een hoge geestelijke binnengebracht. Die nacht kreeg hij het benauwd. Wij, de verpleegsters, hebben de arts-assistent gebeld, maar die kwam niet opdagen.

In die nacht is de geestelijke overleden. Wij kregen de schuld en werden ontslagen. Ik heb nog gesolliciteerd bij een ander ziekenhuis, maar daar werd ik niet islamitisch genoeg bevonden.

De verpleging is voor mij een roeping. Op negentienjarige leeftijd ben ik opgepakt, omdat ik met een verboden boek onder mijn arm op straat liep. Ik heb enkele weken in de gevangenis gezeten. Af en toe haalden ze vrouwen weg, dan hoorde ik schoten en zag ik hen nooit meer terug. Mijn familie heeft mij vrijgekocht.

Op een middag zeiden de bewakers dat ik moest gaan en zetten mij buiten de poort. Eerst herkende ik mijn vader niet; hij was helemaal grijs geworden. Op dat moment besloot ik mensen te helpen. Niet door in de politiek te gaan, want dat bracht te veel gevaar voor mijn ouders en zussen met zich mee. Ik werd verpleegster.

Maar de situatie verslechterde. Op het werk van mijn man vonden razzia's plaats. En op een avond stelde hij voor weg te gaan. Diezelfde nacht zijn we vertrokken, met onze kinderen van vijf en zes jaar en twee weekendtassen. Eerst zijn we ondergedoken bij vrienden, later zijn we over de bergen naar Turkije gegaan. Met hulp van een mensensmokkelaar zijn we in Nederland beland.

We kwamen op 1 juni 1991 op Schiphol aan, ik was toen dertig jaar. Na vier jaar kregen we een verblijfsvergunning. Het gaat ons nu goed.

Mijn kinderen zitten in de brugklas Havo/VWO, mijn man zoekt werk en ik volg een opleiding. Iran is voor ons verleden tijd. Verdwijnt het islamitische regime, dan nog ga ik niet terug. Wel blijf ik een gelovig moslim - ondanks alles wat er is gebeurd. Al behandel ik de koran niet langer als een heilig boek. Ik beschouw de koran als een verzameling leuke verhalen: een mens kan veel van de voorschriften leren, maar hij kan ook veel voorschriften naast zich neerleggen.''