Een besef van leegte

Een van de sterke ervaringen die kunst, vooral toneel, film, romans, je kunnen bezorgen is die van echtheid. Niet echtheid in de zin van realisme, maar het gevoel dat je in staat gesteld wordt iets te zien, of te horen dat zich bevindt áchter wat je meestal te zien en te horen krijgt, achter wat er gebeurt.

Dat je mensen in hun hart kunt kijken, dat je de onontkoombaarheid van gebeurtenissen ziet - want nergens zijn ze zo onontkoombaar als in het arrangement dat de kunstenaar eraan gegeven heeft. Dat geeft een sensatie van waarheid - op een andere, abstractere manier dan de waarheid zich buiten de kunst voordoet. Onverdunder zou je kunnen zeggen, en daarom vaak eens zo hevig.

Stel dat er een kind is gestorven. Zeventien, junk, wellicht een overdosis, zeker een verwaarloosde longontsteking. Hoe gaan zijn ouders verder leven? Hoe moet dat ooit nog verder? Sommige vragen stel je jezelf wel eens met lichte huivering, maar de wil of de durf tot het zich inleven in dergelijke verschrikkingen is niet groot, ook al weet iedereen dat ze gebeuren, ook al schampt een dergelijk lot soms heel dicht langs je eigen leven. De schrijver Anton Koolhaas was erg goed in het laten zien wat er gebeurt nádat 'het' gebeurd is, en 'het' kon een vloedgolf zijn, een val van een flatgebouw, een slopende ziekte, een brief van een dode of een fatale zwemtocht in zee, maar 'het' was hoe dan ook iets verschrikkelijks. Hoe ziet rouw eruit, hoe leeft iemand wiens leven helemaal overhoop gegooid is. Aangrijpende romans leverde dat op.

In zijn onlangs uitgebrachte toneelstuk 'De nacht van de pauw' doet Willem Jan Otten een vergelijkbaar iets. Zeven jaar na de dood van het kind brengt hij de allang gescheiden ouders weer bij elkaar. Beiden zijn met iemand nieuw. Maar ze blijven altijd ook de ouders van de dode Tim. En de grote schuldcarrousel draait nog, die houdt misschien wel nooit meer op met draaien - hoe zou een ouder zich niet schuldig kunnen voelen als zijn kind onder zijn ogen te gronde is gegaan. De moeder wil, nog altijd, een verklaring: “Waarom is ons kind dood?” Zij wordt er elke dag mee wakker, zij blijft in opstand, zij gelooft dat het kind niet kon en niet wilde leven en dat voor die onmacht een oorzaak aan te wijzen valt. Ze houdt haar wond open met schuldbelijdenissen en met die vraag: 'waarom?'

De vader schreeuwt zichzelf, en haar, een ander antwoord toe: “Er is geen oorzaak. Zo zit de wereld niet in elkaar. Wat jij altijd maar willen noemt, dood willen, alsof hij ook nog iets anders kon willen, dat was geen willen, zo sterk zijn mensen niet.”

Er wordt een harde en wanhopige strijd gevoerd tussen opvattingen over het hoe en het waarom van leven, over zelfbeschikking, over toeval. De moeder vindt dat de vader schuld heeft. Omdat hij zijn kind voor diens geboorte al niet wilde. Omdat hij niets vitalers over het leven heeft te zeggen dan dat het er nu eenmaal is en dat het nu eenmaal is zoals het is. “Hij heeft zijn zoon niets anders bijgebracht dan dat dood dood is. Dat hij geboren was om dood te gaan. As, as, as. Maar waarom leeft hij dan? Waar haalt hij het recht vandaan om er nog te zijn?” Het zijn de moeilijkste vragen en beweringen, vragen die hier helemaal van toepassing zijn en die tegelijkertijd de 'eeuwige vragen' zijn die mensen altijd maar stellen. De vragen waarvan sommigen hebben beweerd dat ze overbodig zijn geworden, niet meer gesteld hoeven te worden, want ze zijn onbeantwoordbaar. En wie ze toch wil beantwoorden, die komt op het terrein van de zingeving en, wie weet, op dat van de religie en daar schijnt men enorm voor op te moeten passen.

Het is tamelijk verbluffend hoe er op Ottens toneelstuk gereageerd is. Wie de recensies leest zou denken dat er een katholiek melodrama werd opgevoerd, geforceerd volgestopt met hedendaagse problemen. Nu, misschien leef ik in melodramatische kringen, maar ik ken ze wel, de gescheiden ouders van een verslaafd kind, het tweede huwelijk waarin weer een nieuwe zwangerschap, de op latere leeftijd toch voor vrouwen kiezende gescheiden vrouw, de bejaarde ouders die ziek zijn, dement, juist overleden. Wie kent die niet? En veel in die levens blijft verstopt, weggeduwd, onuitgesproken. Alleen in kunst worden de waarheden van ieders gevoel zo helder tegenover elkaar gezet.

De fout die Otten gemaakt heeft, is om in interviews van tevoren te zeggen dat hij zich intensief bezig houdt met geloofsvragen. Dat werkt heel verkeerd op het bastion van de zekerweters, want die vragen zijn afgeschaft, en dat is een bevrijding, dus wie daar opnieuw aan begint die wil de klok terugdraaien, de verworven vrijheden afpakken en de wereld terugstorten in de achterlijkheid. Dat Augustinus, Pascal, Bonhoeffer, Levinas misschien iets beweerd zouden kunnen hebben dat de moeite van het overdenken waard is, is geen overweging. Dat er een besef van leegte bestaat bij veel mensen - zoals Frans Kellendonk schreef: “Ik heb in het hart van de schepping een leemte ontdekt waar God, als Hij bestaat, mooi in zou passen, maar helaas is het niet zo dat het geloof begint waar het verstand ophoudt” - dat er een verlangen bestaat om te geloven zelfs als men niet goed weet hoe dat moet, dat is iets waar menigeen kennelijk alleen maar als gestoken op kan reageren.

In talloze columns zie je nu snerend 'de bekeerling Otten' figureren, en doen mensen die van hun leven nog geen serieuze gedachte aan religie hebben gewijd alles wat daarmee te maken heeft af als lachwekkende apekool. Helemaal bont maakte Elsbeth Etty het in deze krant die van Otten eiste dat hij in het openbaar afstand nam van de uitspraken van kardinaal Simonis. Hoezo? Is God een gevaarlijk verzinsel van Simonis? Etty ging zelfs nog verder door Dorien Pessers, die zich geregeld bezorgd afvraagt of al die moderne zelfbeschikking de menselijke maat niet verre te buiten gaat, ervan te beschuldigen een gevaarlijk bondgenootschap te vormen met de zwartste reactie. Sommige gedachtes, vragen, morele standpunten zijn dus zelfs verboden. Alsof men verantwoordelijk is voor alle uitspraken van iemand met wie men een enkel standpunt deelt. Dan kunnen we allemaal wel de hele dag afstand gaan nemen van elkaar. Dat is alleen maar bangig en het leidt tot niets.

Het is een zegen dat er kunst gemaakt wordt die veel vragen stelt, vragen over hoe we moeten leven met de dingen die ons nu eenmaal overkomen. En of die vragen nu komen van iemand die wil proberen betekenis te geven aan het woord wederopstanding of van iemand die trots is op de mens omdat hij de metafysica heeft afgeschaft: een goede vraag is een goede vraag en het overdenken waard. Het geschreeuw, ook in deze krant, over 'de bekeerling Otten' zonder ook maar ergens serieus op in te gaan, is alleen maar geborneerd.