Doorgaan na fiasco

Dave Lilipaly heeft even geen tijd. Veel te druk met bestellingen. Misschien aan het einde van de dag. Tegen sluitingstijd, dan wordt het wel wat rustiger. Met zijn 'Verlichting-atelier' aan de De Clercqstraat in Amsterdam gaat het goed. Hij heeft klanten uit het hele land. “Net een bestelling gehad om vijf lampen te maken voor een café uit Leeuwarden”, zegt Lilipaly met een stevige glimlach.

Lilipaly besloot vier jaar geleden van zijn hobby, het ontwerpen van lampen, zijn beroep te maken. Hij verkocht zijn schoonmaak- en glazenwassersbedrijf en stapte in het Y-markt-project van de gemeente Amsterdam. Maar de Y-markt werd een fiasco. In tegenstelling tot de meeste van zijn collega's op de Y-markt is de Molukker Lilipaly (37) deze tegenslag inmiddels te boven.

De Y-markt werd in 1993 met veel ophef geopend als het grootste werkgelegenheidproject voor allochtonen in Amsterdam. Ruim 150 allochtonen kregen van de gemeente Amsterdam de kans om op een overdekte markt aan de Westerdoksdijk een goed bestaan op de bouwen. Maar het draaide uit op een fiasco, er kwamen nauwelijks bezoekers.

Tien maanden na de start moest de Y-markt al weer sluiten. De begeleiding van de gemeente schoot tekort, de promotie deugde van geen kant en de plaats voor de overdekte markt was verkeerd. Onafhankelijke onderzoekers haalden achteraf vernietigend uit naar de gemeente Amsterdam.

“In 1992 werkloos, in 1994 hopeloos. Gemeente bedankt”, schilderde een Turkse ondernemer vlak na de sluiting op zijn rolluiken. De meeste van de honderdvijftig ondernemers zijn nog steeds werkloos en hopeloos, weet advocaat R. Vos. Hij stond na het debacle circa veertig ondernemers bij in hun strijd tegen de gemeente. Vos: “Voor de meesten is de Y-markt de doodklap geweest.” Zijn cliënten kregen tegemoetkomingen in de investeringskosten van drie- tot vijftienduizend gulden. “Veel te weinig om ze uit de misère te halen”, zegt Vos. Om hun dromen waar te maken waren de ondernemers veel grotere schulden aangegaan, bij de bank of bij familie en kennissen. Van de cliënten van Vos heeft alleen een handelaar in qat de vergoeding niet geaccepteerd. Qat bestaat uit blaadjes van bomen in Jemen die als verdovend middel worden gekauwd. Deze handelaar is nog verwikkeld in een lange procedure om een hogere schadevergoeding te krijgen.

De lampenzaak van Lilipaly in de De Clercqstraat valt op. De bruin geschilderde kozijnen tegen de witte gevel geven de winkel een exclusieve uitstraling. Binnen staan en hangen de bijzondere, originele en vrij dure lampen, de meeste door Lilipaly zelf ontworpen. Vlak voor sluitingstijd rent hij nog even voor een klant naar achteren om te kijken of hij nog een speciale lamp heeft. Door zijn positieve instelling overleefde Lilipaly volgens eigen zeggen het Y-markt-fiasco. “Al moet ik tot m'n nek door de modder, ik haal de overkant.”

Over de gemeente Amsterdam is Lilipaly niet erg te spreken. Zachtjes, alsof een ambtenaar het kan horen, zegt hij: “Wat ik met heel weinig geld voor mekaar heb gekregen, is vele malen meer dan de gemeente met die miljoenen die ze in de Y-markt heeft gestoken.” Op de Y-markt - “Het was er best gezellig” - had hij een stand van twaalf vierkante meter. Lilipaly: “Er kwamen te weinig bezoekers, maar ik bleef er in geloven. Als de ondernemers het voor het zeggen hadden gehad, was het wel gelukt. We mochten er helemaal niets. Het moest een exotische markt zijn, maar het was er kil en veel te netjes.”

Hij begint nooit meer iets onder begeleiding van de gemeente Amsterdam. “De gemeente heeft geen verstand van zakendoen. Nu kan ik gelukkig mijn eigen beslissingen nemen.”

Dan, mijmerend: “Als ik hier in de De Clercqstraat meteen was begonnen, hoe ver zou ik dan geweest zijn? Ik heb met die Y-markt zeker twee jaar vergooid.”