Beeldhouwer in de sporen van Rubens

Tentoonstelling: Lucas Faydherbe (1617-1697), beeldhouwer en architect. Stadsmuseum Hof van Busleyden, Merodestraat 65, Mechelen. T/m 16/11, dag. 10-18u, di tot 21u. Cat. 950 Bfr.

Lucas Faydherbe werkte in de 17de eeuw als beeldhouwer te Mechelen. Zijn werk is vrij onbekend, en dat ligt niet aan de geringe kwaliteit ervan. Komt het door zijn discipline, de beeldhouwkunst? Of maakt de uitstraling van de Antwerpse schilderschool - Rubens, Van Dijck, Jordaens en anderen - ons blind voor wat daarna kwam? De Zuid-Nederlandse barok na Rubens, waar ook Faydherbe thuis hoort, is een vrij diffuus stuk kunstgeschiedenis. Wat niet betekent dat het onderzoek ernaar heeft stilgestaan.

In 1997 is het drie eeuwen geleden dat Lucas Faydherbe overleed, en aangezien recente kunsthistorische bevindingen meestal op zo'n feestmoment naar het publiek doorsijpelen, kunnen we vandaag iets bijleren. Daarvoor moeten we naar Mechelen, waar Faydherbe zijn leven lang verbleef. Daar loopt een monografische tentoonstelling in het Stedelijk Museum Hof van Busleyden. Maar de grootste retrospectieve is 'in situ' te bekijken, in de zeven Mechelse kerken waar je monumentale sculpturen, barokke altaren, grafmonumenten en twee koepelreliëfs van de meester aantreft. In twee gevallen is ook de kerk ontworpen door de architect Faydherbe, die verder nog een poort- en stalgebouw, en de smalle gevel van een burgerhuis aan zijn stad naliet.

Faydherbe bracht zijn leertijd door in het atelier van Rubens, en maakte zo de laatste levensjaren van de schilder mee. Dat verblijf liet sporen na. De smartelijke gelaatsexpressie in een vroege 'Mater Dolorosa' van Faydherbe lijkt wel Rubens in clichévorm. Maria's gebarentaal gehoorzaamt aan een pathetisch canon - wijds uitgestrekte linkerarm, rechterhand op de borst - en het plooienspel van haar mantel is meer een barokke formule dan de uitdrukking van het lijdende lichaam eronder.

Langzaam komt hij los van dat gebeitelde pathos. Bij de latere zittende Mariabeelden is het lichaam onder de kledij voelbaar. De gelaatsuitdrukking is geen formule meer. Maria vertoont een zachte speling rond de mond, op het randje van de glimlach; in het ene beeld kijkt ze ingetogen en dromerig, in het andere wendt ze zich tot het kind dat zijn handje naar haar uitstrekt. Dit blijft barok, maar de stereotiepe overacting heeft voor een discrete bewogenheid plaatsgemaakt. Het is een vriendelijke en serene kunst, solide genoeg om niet zoeterig te worden: Zuid-Nederlandse barok met een 'classicistische' kalmte.

Faydherbe werd vroeger gezien als een kunstenaar die weinig evolueerde. Dat corrigeert deze tentoonstelling, al maakt ze nogal terloops duidelijk hoe die statische reputatie tot stand kwam. Een vergelijking van verschillende Hercules- en Omphalebustes in terracotta lijkt even op een spelletje 'zoek de zeven verschillen' uit te draaien. Toch valt niet te ontkennen dat de beeldhouwer, naarmate hij evolueert, wint aan realisme, suggestiviteit én raffinement. Het gelaat van aartsbisschop Cruesen op diens grafmonument in de Sint-Romboutskathedraal verenigt waardigheid met de scherpe karakterisering van een oud mannengezicht. Met marmer weet Faydherbe de stoffelijkheid van kledij en borduurwerk te suggereren, of het ingedrukte kussentje onder de knieën van de prelaat. Uit dit werk spreekt 'kracht, gemilderd door verfijning', zoals een catalogusauteur het uitdrukt, en die kwaliteit was het vroege werk vreemd.

Strikt monografisch is deze tentoonstelling niet, ze toont immers ook leerlingen van Faydherbe, naast voorlopers en tijdgenoten uit Mechelen. Maar om een goed beeld te krijgen van Faydherbe volstaat dat niet. Zo wordt niet duidelijk wat de positie is van Faydherbe in de Zuid-Nederlandse sculptuur van de 17de eeuw. Dat is niet het enige. Waarom wordt de verwantschap met composities van Rubens, waarvan sprake in de catalogus, in de tentoonstelling niet uitgewerkt? Waarom heeft men de echte sculpturen niet geconfronteerd met lichtbeelden van vergelijkbaar werk dat de kerk (of het museum) niet uit kon? Dat had een scherper beeld opgeleverd van Faydherbe's ontwikkeling, en van zijn referentiepunten en bronnen. Tenslotte legt deze tentoonstelling nauwelijks de link met de architectuur van Faydherbe. Dat een beeldhouwer als hij ook architect was, is nochtans geen bijkomstigheid. Het vloeit voort uit de verwevenheid van sculptuur en architectuur in de contrareformatorische barok.

Niets dan lof voor de catalogusessays, maar de tentoonstelling geeft een warrig beeld van deze kunstenaar. Dat verergert nog doordat men allerlei stukken waarvan de band met Faydherbe twijfelachtig is, tussen de onbetwistbare toeschrijvingen heeft geschoven. Soms is de relatie met Faydherbe zelfs volstrekt mysterieus - waarom bijvoorbeeld dat 'anoniem Italiaans' reliëf? Het wachten is nog steeds op een tentoonstelling die een heldere kijk op de Zuid-Nederlandse barokke sculptuur geeft.