Alleen de Algerijnse burger lijdt onder de slachtpartijen

De Algerijnse regering ziet de verkiezingen van donderdag voor nieuwe gemeenteraden en provinciale colleges als het sluitstuk van een succesvol democratiseringsproces. De werkelijkheid is echter anders.

AMSTERDAM, 20 OKT. Als in Algerije, op een uur vliegen van Marseille, elke week vele honderden weerloze burgers vlakbij leger- en politiekazernes worden afgeslacht met messen, hakbijlen en primitieve guillotines, ja zelfs baby's worden onthoofd of in brandende ovens gegooid, is dat niet langer een kort berichtje. Waarmee de moordenaars één van hun doelen hebben bereikt: ze zijn in het nieuws en laten zien dat ze allesbehalve verslagen zijn, zoals de overheid voortdurend zegt.

Maar dan is het ook tijd voor mensenrechten-organisaties als Amnesty International en intellectuelen en politici elders om actie te eisen, opdat de daders en hun medeplichtigen worden aangewezen, waardoor misschien zo aan de onverdraaglijke barbarij een einde komt. Zelfs Kofi Anan, de doorgaans zo behoedzame secretaris-generaal van de VN, sprak over de noodzaak van “een urgente oplossing” in Algerije. “Het is voor ons buitengewoon moeilijk voor te wenden dat daar niets gebeurt, dat we niets weten en dat we het Algerijnse volk aan zijn lot overlaten.”

Steeds sterker dringt 'het geweten van de wereld' er op aan om ten minste een onderzoek in te stellen naar wat er in Algerije gebeurt. Tot grote woede - niet alleen van de regering, maar ook van de kranten in Algiers. Zij zien hierin zowel een aantasting van de zo bloedig bevochten soevereiniteit van Algerije, als het over één kam scheren van moordenaarsbenden en het wettig gekozen gezag. Dus doet de regering inderdaad alsof er niets aan de hand is en verkondigt zij dat Algerije een land is van recht, orde, democratie en vooruitgang, waar de laatste restanten van terrorisme vrijwel zijn opgeruimd. Zij verwijst naar de gemeenteraads- en provinciale verkiezingen van aanstaande donderdag, die het democratiseringsproces succesvol moeten afronden. Wie het allemaal niet zo gelooft, is een vijand van Algerije en het Algerijnse volk.

De werkelijkheid ziet er anders uit. “Wij leven in een combinatie van De Hel van Dante en Het Proces van Kafka”, zegt een intellectueel, één van de weinigen die nog niet is gevlucht. Hij vertelt dat zelfs in de hoofdstad nu iedereen scherp op elkaar let omdat elke vreemdeling een massamoordenaar kan zijn. In diverse volkswijken houden groepen mannen 's nachts de wacht. Ze kunnen dat omdat ze werkloos zijn en overdag toch niets om handen hebben. De apothekers en de ijzerhandelaars verdienen goud met de verkoop van kalmeringsmiddelen en bijlen om de onzichtbare vijand op afstand te houden.

Enkele Westerse regeringen leken heel moedig, toen zij openlijk van hun afschuw getuigden over de onacceptabele moordpartijen en vaag spraken over “beraad”. Maar terwijl zij hun handen wrongen, stond het al bij voorbaat vast dat zij absoluut niets zouden ondernemen. Omdat er geen twijfel is dat Liamine Zéroual in 1995 door een meerderheid van de bevolking tot president werd gekozen en daarmee de wettige macht van Algerije is. Zelfs het verboden verklaarde, radicaal-islamitische FIS (het Front van de Islamitische Redding) heeft dit tegenstribbelend geaccepteerd. Daarom peinst geen politicus in het Westen er over om de legitieme president openlijk af te vallen en daarmee zijn radicaal-islamitische vijanden te versterken.

Actie door het buitenland is bovendien ondenkbaar omdat - zoals een VN-specialist inzake Algerije opmerkte - “er twee voor nodig zijn om een tango te dansen. In theorie kan men de bezwaren van de Algerijnse regering tegen een onafhankelijk onderzoek opzij zetten. Maar in de praktijk is er voor zo'n onderzoek politieke wil nodig. En die ontbreekt zowel binnen als buiten Algerije.” Vandaar de kernachtige conclusie van de Franse Minister van Buitenlandse Zaken, Hubert Védrine: “We kunnen niet niks doen. Maar wat kunnen we doen?”

Niets, luidt het antwoord. Omdat het regime in Algiers de burgeroorlog tegen de radicaal-islamitische strijdgroepen militair heeft gewonnen, zoals blijkt uit het staakt-het-vuren, dat het AIS, de gewapende arm van het FIS, onlangs heeft geproclameerd. De enige vaste toezegging die het AIS in ruil daarvoor kreeg, was dat zijn strijders op den duur in de door het leger opgerichte milities zullen worden opgenomen.

Hoe gruwelijk de bloedbaden ook mogen zijn, ze vormen alleen een bedreiging voor de burgers. Maar niet voor de machthebbers en evenmin voor de nabuurlanden. En al helemaal niet voor de steeds grotere Westerse olie- en gasbelangen in het zuiden van Algerije. Daar - in het “nuttige Algerije” - worden de honderden buitenlandse ingenieurs en technici door het leger uitmuntend beschermd. Want zij zorgen voor de inkomsten waarmee de strijdkrachten hun wapens kunnen aanschaffen.

Het staat dus al bij voorbaat vast dat er geen onafhankelijk, internationaal onderzoek zal komen, omdat de Algerijnse overheid er niets van wil weten. Met reden. Zo'n onderzoek zou uitwijzen dat de moordpartijen weliswaar voor het grootste deel worden uitgevoerd door de strijders van de GIA, maar ook een aantal generaals goed uitkomen. De GIA is de fanatiekste vertegenwoordiger van het radicaal-islamitische gedachtengoed, maar niet langer een gesloten beweging. Zij wordt dan ook sinds enige tijd in Algerije met een meervoud betiteld: de Gewapende Islamitische Groepen.

De door de GIA begane en door de strijdkrachten getolereerde moordpartijen dienen diverse verborgen doelen. Zij verzwakken de geloofwaardigheid van president Zéroual, die alsmaar roept hoe goed het met Algerije gaat. Een vroegere regeringsfunctionaris legt uit: “Zéroual droomde als gekozen president de Grote Leider van Algerije te zijn geworden met een nieuwe, op maat gesneden partij en een gekozen parlement, dat volgens de grondwet geen enkele vuist kan maken. Zijn collega-generaals, die hem uit de ruststand hebben gehaald, proberen hem uit de droom te halen. Hoe doen ze dat? Door de GIA te laten weten: 'U moordt, wij slapen'. Daarom gaf Mohamed Lamari, de chef-staf en één van de felste tegenstanders van Zéroual, in augustus het bevel aan de strijdkrachten om onder geen beding 's nachts de kazernes te verlaten zonder een geschreven opdracht van hemzelf.”

De moordpartijen leiden tevens de aandacht af van de grote sociale nood, waarin miljoenen Algerijnen door de economische liberalisering zijn beland, zodat er geen sprake is van sociale opstanden, waarmee de eens zo machtige vakcentrale UGTA nog vorig jaar dreigde.

En tenslotte stellen de moordpartijen een aantal machthebbers en hun getrouwen in de gelegenheid om zich haast ongezien meester te maken van een groot aantal economische privileges en rijkdommen. In de Mitidja bij voorbeeld, de rijkste landbouwgronden van Algerije, waar zich het overgrote deel van de slachtpartijen afspeelt, is de paniek onder de overlevenden zo groot, dat men daar nu voor een prikje grond kan verwerven.

“Je wilt dat ik medelijden met die mensen heb, die nu zo huilen om de slachtpartijen?”, zegt een naar Frankrijk gevluchte journalist. “Dat is een beetje moeilijk. Diezelfde mensen moesten een paar jaar geleden vreselijk lachen, toen het FIS, waarop ze voor meer dan 90 procent hadden gestemd tijdens de verkiezingen van 1990, journalisten, artsen en kunstenaars vermoordden. Natuurlijk denken velen in het leger: opgeruimd staat netjes, nu die sympathisanten van toen worden aangepakt.” Waarmee hij impliciet aangeeft hoe nuttig het is dat de Strijders God hun sympathisanten uitroeien en daarmee de vijver droogleggen, waarin zij plachten te vissen.

De komende dagen is het ongetwijfeld een stuk rustiger in Algerije - met slechts hier en daar een aanslag. De strijdkrachten zullen, zoals bij de voorgaande verkiezingen, ervoor zorgen dat er kwantitatief wat minder slachtoffers vallen. Alle generaals hebben er immers belang bij dat de verkiezingen van donderdag doorgaan en formeel een succes worden.

Maar daarna zal het bloedvergieten weer toenemen. Omdat de oorlog in Algerije niet alleen wordt gevoerd tussen Gods Strijders en hun vijanden, tussen criminele bendes en hun slachtoffers, en tussen families en dorpen die elkaars traditionele vijanden zijn. Zij wordt ook op afstand en in het geheim gevoerd tussen een aantal mensen aan de top - de zogenaamde politieke clans, die met elkaar om macht en om geld strijden.