Zuid-Amerikaanse dinosauriërs hadden minder lange adem

De ademhaling van vroege generaties dinosauriërs (Laat Trias, zo'n 220 miljoen jaar geleden) was niet erg efficiënt. Maar vlak voor hun massaleuitsterven op de grens tussen Krijt en Tertiair was dat aanmerkelijk verbeterd.

Ongeveer 70 miljoen jaar terug bezaten dinosauriërs een ademhalingsapparaat dat sterk leek op dat van de huidige zoogdieren. Onderzoeker Richard Hengst van de Amerikaanse Purdue University heeft een opmerkelijk verschil gevonden in deze ontwikkeling. Hengst vergeleek de borstkassen van Noord- en Zuid-Amerikaanse vleesetende dinosauriërs. Hij keek daarbij onder meer naar de manier waarop de ribben aan de wervelkolom vastzaten en wist vast te stellen hoe de ribben van de sauriërs bewogen bij het ademhalen. Hoe efficiënter zij hun borstkas konden uitzetten, hoe meer lucht ze konden binnenkrijgen. Hengst ontdekte dat Zuid-Amerikaanse dinosauriërs ongeveer 140 miljoen jaar geleden wat dit betreft nog niet veel vooruit waren gegaan ten opzichte van hun vroege soortgenoten.

Op dat tijdstip echter hadden de Noord-Amerikaanse sauriërs een ribbenweging tot hun beschikking gekregen die hen in staat stelde met dezelfde energie veertig procent meer lucht per ademhaling in te nemen. Pas in het late Krijt, een kleine 70 miljoen jaar later, bereikten de Zuid-Amerikaanse dinosauriërs een even hoog rendement. Richard Hengst zal dit bekendmaken tijdens het jaarlijkse congres van de Society of Vertebrate Paleontologists (Chicago, 11 november).

Volgens Hengst is het gissen naar de oorzaak. Misschien speelden jachttechnieken een rol. In die zin dat de Noord-Amerikaanse sauriërs wellicht jagers waren. Dat maakt een lange adem noodzakelijk. De Zuid-Amerikaanse dinosauriërs zouden daarentegen de dash and dine tactiek kunnen hebben gehanteerd. Daarvoor is slechts een korte heftige inspanning nodig.