Turkse internaten schieten in Nederland uit de grond; Jongens die iets in zich hebben

Ze vormen 'een groep pioniers die uit is op goede posities in de Nederlandse samenleving'. De jongens in het Turkse schoolinternaat in Rotterdam doen het beter op school dan hun Turkse leeftijdgenoten erbuiten. Nederlandse beleidsmakers juichen om het resultaat, maar zijn huiverig voor invloeden van moslimorganisaties. 'Wij staan open voor iedereen', zegt de leider.

De jongens hangen op twee banken voor de televisie, ze kijken naar Jurassic Park. Over 20 minuten, klokslag half vijf, moeten ze allemaal aan hun huiswerk - elke dag. Als ze niet hier op de bank zaten, zouden ze nu misschien met hun vrienden op straat spelen of een beetje door de stad zwerven.

Maar ze wonen in Het Centrum, een schoolinternaat voor Turkse jongens in het Oude Westen van Rotterdam. Turken uit heel Nederland melden hier hun kinderen aan. Want hier is de kans dat zij met een diploma de middelbare school verlaten aanzienlijk groter dan erbuiten. De jongens verruilen Mavo voor Havo en Havo voor Atheneum. 'Gewone' Turkse jongens zijn oververtegenwoordigd in het lager beroepsonderwijs, de meeste jongens van Het Centrum zitten op Mavo, Havo en VWO.

Bij de ingang liggen hun schoenen op een grote berg, iedereen loopt hier op z'n sokken. Boven zijn de slaapzalen: acht bedden per zaal, in keurige rijen, de dekens strak opgevouwen op het voeteneinde. Vier weken geleden lag Mustafa Küpeli (12) voor het eerst in zo'n bed, tussen nieuwe vrienden. Hij had aan het eind van de basisschool een Mavo / Havo-advies gekregen. Zijn vader zag een tv-programma waarin de leider van Het Centrum, Alaattin Erdal, vertelde dat de jongens op het internaat zich beter op hun huiswerk kunnen concentreren dan thuis en over de hoge cijfers die ze halen. Twee keer is Mustafa daarna een zaterdag op visite geweest, nu woont hij in Het Centrum. Zijn vader hoopt dat hij naar het VWO zal overstappen.

Acht jaar geleden is Het Centrum begonnen met een paar jongens, nu is het uitgegroeid tot een internaat met 55 plaatsen. Rotterdammer van het jaar 1995 Alaattin Erdal (de trofee staat op de kast in zijn werkkamer) vertelt dat het internaat is opgericht door verontruste ouders uit de Turkse gemeenschap, die bang waren dat hun zoons het verkeerde pad op zouden gaan. Vaak begrepen de ouders hun kinderen niet meer en de kinderen hun ouders niet. “We adviseren de jongens de cultuur, de religie en de mentaliteit van hun ouders te mengen met de goede kanten van de Nederlandse samenleving. Hun ouders zijn vaak uitsluitend op Turkije gericht, thuis staat de hele dag de tv op de Turkse staatszender.” Uit onderzoek van het Inspraak Orgaan Turken blijkt dat Turkse ouders jaarlijks zo'n 350 kinderen naar een internaat in Turkije sturen. Het Centrum biedt een Nederlands alternatief. “Wij horen bij een groep Turkse pioniers die uit is op goede posities in de Nederlandse samenleving en niet langer gericht is op Turkije”, zegt Erdal.

Lange tijd wist bijna niemand buiten de Turkse gemeenschap van het bestaan van het internaat af, dat toen nog Akyazili heette. Pas twee jaar geleden trad Erdal naar buiten: hij wilde de organisatie professionaliseren en had daar geld voor nodig. Tot dan toe dreef het internaat volledig op vrijwilligers uit de Turkse gemeenschap.

Gemeente-ambtenaren en raadsleden raakten na bezoeken aan Het Centrum overtuigd van het belang van het internaat. Het biedt een oplossing voor Turkse ouders die niet goed de weg weten in het Nederlandse onderwijssysteem en zelf hun zoons moeilijk kunnen begeleiden. En de middelbare scholen waar de jongens van Het Centrum onderwijs volgen, zijn zonder uitzondering enthousiast over het internaat. Sommige leraren verklaarden de jongens als 'voorbeeld' te zien voor andere leerlingen: ze zijn sociaal en doen goed hun best.

Nurcu-beweging

Rotterdam geeft dit schooljaar bij wijze van experiment ruim anderhalve ton subsidie, op grond van een beleidsplan dat Het Centrum opstelde in samenwerking met SBAW, een onafhankelijk bureau voor projectontwikkeling. Onder strikte voorwaarden wil het stadsbestuur, als eerste in Nederland, ook structureel subsidie verlenen. Dan moet Het Centrum wel vijf of tien jongens aannemen die door de dienst Stedelijk Onderwijs worden aangewezen. Dat zullen jongens zijn die het risico lopen voortijdig de middelbare school te verlaten. “In de standaard-aanpak van allochtonen-problematiek blijkt de groep die onder het niveau van eigen kunnen presteert, buiten de boot te vallen. Wij hebben in de praktijk gezien dat Het Centrum goede resultaten met die jongeren boekt”, zegt Rolf de Jong van SBAW.

Dit maakt de relatie met de gemeente meteen ingewikkeld, omdat Het Centrum zijn jongens tot nu toe streng selecteert. “We nemen jongens van wie we denken dat ze iets in zich hebben”, zegt Erdal. “We letten op het karakter en de omgang met de anderen. Ze moeten in een groep kunnen leven en graag naar school gaan.” Routineuze spijbelaars die hun weg in de drugsscene al gevonden hebben, maken geen kans op een plek in Het Centrum. “Wij werken uitsluitend met vrijwilligers: jongens van achttien, negentien jaar die niet opgeleid zijn om met probleemgevallen om te gaan. Als de gemeente zulke jongens wil plaatsen, moet er ook een manier zijn om professionele hulpverleners in te schakelen.”

Een andere mogelijke belemmering voor subsidie heeft een levensbeschouwelijke achtergrond. Het Centrum neemt vier verdiepingen in beslag van een pand dat in handen is van de Turks Islamitische Sociale en Culturele Stichting Akyazili. Twee jaar geleden werd Het Centrum een aparte stichting. Alaattin Erdal zegt dat de enige relatie die nu nog tussen Akyazili en Het Centrum bestaat, die van huurbaas-huurder is. “In het begin hebben zij het pand om niet ter beschikking gesteld: zij gebruikten alleen de kelder en de rest stond leeg.”

Akyazili is een afdeling van de Nurcu-beweging, een van de stromingen binnen de islam in Turkije. De arabist Nico Landman duidt Akyazili in zijn overzichtswerk Van mat tot minaret (1992) aan als 'centrum van een Europees netwerk' van een groep binnen de Nurcu-beweging. De Nurcu's, schrijft hij, hebben een intellectuele benadering van de islam; zij proberen resultaten van natuurwetenschappelijk onderzoek te verbinden met de koran. Hierbij laten zij zich leiden door de geschriften van de grondlegger van de beweging, Said Nursi, die in 1960 overleed.

Volgens Kadir Canatan, die voor het Inspraak Orgaan Turken onderzoek deed naar Turkse ouders die hun kind naar een internaat in Turkije sturen, is Het Centrum begonnen als een van de “internaten die de Nurcu-beweging opricht van Amerika tot Japan”. “Het is een kleine groep in Nederland. Ze zijn a-politiek en voorstander van islamisering van onderaf: ze willen dat mensen leven volgens de regels van de islam. Ze hebben moeite met het Westerse materialisme en individualisme maar hebben bewondering voor de Westerse wetenschap en technologie. Nurcu wil de top op onderwijskundig gebied bereiken; zichzelf ten voorbeeld stellen.” Akyazili hoort volgens hem tot de meest liberale groep binnen de Nurcu's, ze houden zich minder dan de andere groepen bezig met de geschriften van Said Nursi en streven samenwerking binnen de Turkse gemeenschap na èn integratie in de Westerse samenleving.

SBAW adviseerde Erdal het internaat onafhankelijk te maken van Akyazili. Dat zou de kans op subsidie aanzienlijk vergroten. In het geseculariseerde Nederland ligt het bijvoegsel islamitisch gevoelig.

Voor veel Turkse ouders is het nog steeds 'internaat Akyazili'. Maar Erdal zegt dat het internaat alleen de naam met de stichting Akyazili gemeen had en hij ontkent met klem dat Het Centrum iets te maken heeft met de Nurcu-beweging. De banden tussen Akyazili en het internaat waren al verbroken voordat SBAW dat advies gaf, zegt Erdal. Het internaat wilde een meer op integratie gericht programma en geen inmenging meer van Akyazili. Al jaren probeert hij in de politiek en religieus verdeelde Turkse gemeenschap het beeld te bestrijden dat het internaat een Nurcu-instelling is. “Wij willen boven de stromingen staan. Wij staan open voor iedereen en willen dat mensen hun tegenstellingen bij de deur achterlaten. Het zou zelfmoord betekenen om ons te profileren als een bepaalde groep.” SBAW noemt Erdal iemand die 'al jarenlang koorddanst om de verschillende Turkse groeperingen bij elkaar te brengen'.

Gelukzaligheid

In tal van Nederlandse steden staan internaten voor Turkse jongeren, vele daarvan zijn opgericht sinds het Rotterdamse Centrum bekendheid verwierf. In Dordrecht werd in 1991 een jongensinternaat geopend en de Rotterdamse Merkez Moskee biedt sinds 1988 onderdak aan een internaat - de laatste jaren alleen tijdens de weekeinden. Volgens Alaattin Erdal zijn deze internaten niet te vergelijken met Het Centrum. “Zij zijn meer gericht op koranonderwijs en wij meer op de brede ontwikkeling van de jongens en de schoolprestaties.”

De verschillende internaten heten altijd te zijn opgericht door de lokale Turkse gemeenschap. Maar van de Turkse gemeenschap is nooit sprake, die is steevast verdeeld langs politieke en religieuze scheidslijnen. Het zijn met name islamitische stromingen als de Süleymanci, de Nurcu-beweging en naar verluidt Milli Görüs die in Nederland internaten oprichten of de oprichting aan het voorbereiden zijn. Deze stromingen onderscheiden zich in Turkije van de officiële islam die onder controle staat van het Directoraat voor Godsdienstzaken Diyanet. De meeste Turkse moskeeën in Nederland zijn aangesloten bij Diyanet. Daarna volgen de Süleymanci en Milli Görüs. De Nurcu-beweging, ook weer verdeeld in vier groepen, heeft in Nederland niet zoveel aanhangers.

In Utrecht is dit jaar een internaat geopend dat in een deel van de Turkse gemeenschap bekend staat als een internaat van de Nurcu-beweging in Nederland, onder de naam Beatitas. Dit is het Latijnse woord voor 'gelukzaligheid', wat de aansluiting moet symboliseren die het internaat zoekt met de Nederlandse samenleving: zowel het Turks als het Nederlands gebruiken het Latijnse alfabet. Maar de leiding van Beatitas verklaart net als Alaattin Erdal 'boven de stromingen' te staan en niets met de Nurcu's te maken te hebben.

In de Nederlandse steden zijn het meestal de leden van andere groeperingen binnen de Turkse gemeenschap die een internaat bestempelen als een initiatief van een bepaalde islamitische stroming. Alleen de aanhangers van Süleyman Hilmi Tunahan - bekend als de Süleymanci - komen er zelf rond voor uit, de oprichters te zijn van de internaten die aan Turkse jongens en soms meisjes onderdak bieden in Utrecht, Amersfoort, Soest, Arnhem, Rotterdam, Enschede en Dordrecht. Die internaten zijn meestal initiatieven van jongerenverenigingen binnen de moskeeën van de Süleymanci, met eigen statuten.

Z. Arslan van de multiculturele organisatie FORUM pleit voor een onderzoek naar de achtergronden van Het Centrum. “Ons bereiken ook geluiden uit de Turkse gemeenschap dat Het Centrum gedomineerd wordt door de Nurcu-beweging. Die geruchtenstroom is niet bevorderlijk voor het internaat. Als het waar is, dan heeft de gemeente Rotterdam een probleem. Het kan niet zo zijn dat een internaat - wat op zichzelf een goede vorm is - door een bepaalde religieuze of politieke groepering wordt aangegrepen om invloed op jongeren uit te oefenen en hun ideologie door te geven. En als het niet waar is, moeten die geruchten de kop ingedrukt worden.”

De gemeenteraad moet tijdens de komende begrotingsbehandeling nog stemmen over het driejarig experiment. Gemeenteraadslid Bea Kruse (GroenLinks) heeft de uitspraken van verschillende linkse Turkse groeperingen dat Het Centrum van de Nurcu-beweging uitgaat, nooit bevestigd gezien. “Als daar iets vreemds aan de hand zou zijn, komt dat via de jongens die vanwege de gemeente worden geplaatst ogenblikkelijk aan het licht. Maar tot nu toe zie ik Alaattin Erdal alleen maar waardevolle dingen doen.”

Bestuurders en ambtenaren maken zich meer zorgen om praktische zaken. Nu zich steeds meer internaten aanmelden voor subsidies, wordt de behoefte aan richtlijnen groter. Het is onduidelijk aan welke eisen de instellingen moeten voldoen. De wet schrijft slechts veiligheidsnormen en brandweervoorschriften voor. “Het enige wat je verder nodig hebt zijn vrijwilligers en een pand en je kunt een internaat beginnen”, zegt Bart Verhoef, beleidsmedewerker van de gemeente Utrecht waar internaat Beatitas een subsidieverzoek heeft ingediend. “Voordat we subsidies gaan verstrekken moet er eerst een principiële discussie komen. Kunnen kinderen beter thuis opgroeien dan in een internaat? Welke eisen moet je stellen? Wat doe je met lastige jongens? Daar heb je professionele begeleiders voor nodig.”

Religieuze organisaties krijgen per definitie geen subsidie. Beatitas zou volgens Verhoef een aparte stichting moeten worden, “want voor zover bekend gaat het uit van de Nurcu's. Op zichzelf kan dat, het Leger des Heils heeft de maatschappelijke dienstverlening ook in een aparte stichting ondergebracht en komt voor die tak wel voor subsidie in aanmerking. Ik heb de indruk dat Beatitas een open organisatie is die banden met tal van Nederlandse instellingen en organisaties onderhoudt. Het lijkt me dat ze goed werk doen. Maar er moeten dringend landelijke regels komen, want wat doe je als een verkeerde club een internaat wil beginnen?” Ook de gemeente Enschede ontving een subsidie-aanvraag van een bestaand internaat voor Turkse jongens en zit volgens beleidsmedewerker Mario Canas te springen om landelijke richtlijnen.

Inmiddels heeft Het Centrum landelijke faam verworven. Mohamed Rabbae van GroenLinks pleitte vorig jaar al in de Tweede Kamer voor steun aan het internaat. CDA-onderwijsspecialist Wim van der Kamp noemt Het Centrum als voorbeeld van de 'speciale internaten' voor allochtone jongeren waarvan het CDA-verkiezingsprogramma spreekt. Het CDA pleit voor rijksbijdragen voor deze 'preventieve instellingen' en voor meer toezicht. “Als wij subsidies gaan verstrekken willen we ook landelijke regels opstellen, in alle openheid en voor derden verifieerbaar”, zegt Van der Kamp.

Spijbelen

In de drie lokalen op de kelderverdieping zitten jongens gebogen aan schoolbanken, achter hun boeken. Voorin houden twee mannen toezicht. Elke leerling heeft een persoonlijke begeleider die cijferlijsten bijhoudt, samen met de ouders de ouderavonden op school bezoekt en in de gaten houdt of zijn leerlingen niet spijbelen. Vedat Güller is een van de begeleiders; hij woont op een kamer in het internaat en is 24 uur per dag aanspreekbaar. “Het systeem van regelmatige huiswerkbegeleiding werkt: de jongens zien links en rechts van hem zijn vrienden zitten die ook aan het huiswerk maken zijn. Ze willen ook goede cijfers halen als ze zien dat hun vrienden dat ook doen”, zegt hij.

De jongens van Het Centrum mogen de stad in wanneer ze willen, maar ze moeten bij de receptie opschrijven waar ze zijn. Overdag gaan ze naar reguliere middelbare scholen in Rotterdam. Spijbelen is verboden, zegt Umit (15), die voor het derde jaar op Het Centrum zit. En als je het toch doet, belt de school meteen naar het internaat. Om half vijf moeten ze weer binnen zijn, dan begint de huiswerkbegeleiding. Om half zeven eten ze met zijn allen in de eetzaal en daarna is er weer huiswerkbegeleiding. Zo gaat het elke dag, behalve in het weekeinde.

Elat (16) en Üzeyir (17) zijn met moeite bij de tv in de kantine weg te halen. Jurassic Park is bijna afgelopen. Het belangrijkste van Het Centrum is hun begeleider, zeggen ze, hun 'grote broer', aan wie ze alles kunnen vragen. “Hij weet alles over universiteiten, hij weet waar en wat je kunt studeren”, zegt Üzeyir. Optimistisch zijn ze over hun toekomst.

Nurcu is niet van belang, zeggen ze, dat is iets van de leiding. “Wij willen iets bereiken”, zegt Elat. “En het maakt ons niet uit wat de leiding denkt of vindt. Het is hetzelfde als katholieken die naar een protestantse school gaan: je merkt er helemaal niks van.” Internaatleider Erdal zegt altijd tegen de jongens: “Het maakt niet uit of iets nu van Diyanet of van de Nurcu's of waar dan ook vandaan komt, alles wat je zelfvertrouwen geeft is goed.”