Tropisch tuinieren

Tot boeken van het genre 'tuinieren in de tropen' heb ik mij nooit erg aangetrokken gevoeld: wanneer, immers, zou ik ooit de kans krijgen om te tuinieren in de tropen? Een serre heb ik niet, alleen een paar palmen die 's zomers buiten en 's winters binnen staan. Een bruikbaar surrogaat is een bezoek aan de tropische kassen in de Hortus; daar heb je alle voordelen van de tropische tuin zonder zelf verantwoordelijk te zijn voor de planten.

Maar deze zomer in het zuiden van Frankrijk raakte ik onverwachts verstrikt in tropisch tuinieren, zij het ook zonder eigen verantwoordelijkheid. We logeerden in een huis gebouwd op een van de terrassen van een oude olijfgaard; her en der eeuwenoude olijfbomen, grijs en knoestig en beladen met vruchten. Om het huis stonden oleanderstruiken, er groeide brem, thym en gras, en verderop langs de weg was praktisch een muur van roosmarijn. Er was ook een hydrangea - naar wij vernamen recent geplant, op een heel droge en zonnige plek - die elke avond dozijnen liters water nodig had. Het ging precies zoals in mijn eigen tuin: na een paar dagen te hebben toegekeken wisten we dat die plant absoluut moest verhuizen: zonder mensen die haar water geven kon zij daar onmogelijk overleven.

Als een huis waar je logeert je niet bevalt voel je je ook niet geroepen om de planten te verplaatsen. Maar dit was een paradijsje, er moest iets aan gedaan worden. Het was ook een goede gelegenheid om een kijkje te nemen bij de plaatselijke kwekerij, de Pépinière des Pins. Kwekerijen zijn bijna altijd fascinerend; de beste, tot dusver, was in Maleisië, de Yong Seng Nursery in Malakka, met een keurig geprefabriceerd Chinees heiligdom tussen de bloempotten en de zeldzame planten, de bonsai en een bougainvillea met bloemen in verschillende kleuren, allemaal geënt op één stam.

Op de plaats van de hydrangea, dachten wij, kon lavendel komen; die kon zich daar handhaven en de geur zou opstijgen langs het terras van het huis. Maar naar een Zuid-Franse kwekerij gaan en alleen maar lavendel kopen was niet erg opwindend, dat konden we thuis ook. We verlangden naar meer. Zo kozen we ten slotte een plumbago, Plumbago auriculata, vroeger bekend als P. capensis, een echte tropische plant met hele watervallen van lichtblauwe bloemen. Het was een opwindend vooruitzicht zo'n exotische plant buiten te planten; je ziet er vrij veel in die streek, dus hij is kennelijk bestand tegen de Provençaalse winter.

Het was als wanneer ik naar de kwekerij ga voor de volkstuin: dan marcheer ik rustig langs de schaduwplanten zonder ze een blik waardig te keuren. Nu konden we zelfs de gewone vaste planten laten voor wat ze waren, en linea recta afgaan op de tropische klimplanten. Plumbago's in alle maten en alle tinten blauw: in geen jaren heb ik zo'n genoegen beleefd aan het uitkiezen van een plant. We kozen die met het mooiste blauw, zonder enig mauve of rood er in, een veel sterkere kleur dan het melkachtige blauw van de meeste andere; het etiket met de prijs heb ik nog steeds, 65 francs, niet zo goedkoop, zowat tweeëntwintig gulden.

Het planten van deze aanwinst, en het verplaatsen van de hydrangea, bleek nog lastiger dan het geweest zou zijn in onze tuin vol boomwortels in Holland. Er was een pikhouweel voor nodig. De hydrangea was daar kennelijk zonder de tussenkomst van dit werktuig neergezet in een ondiepe kuil, als een niet passende kurk die uit zichzelf weer omhoog komt wanneer je hem omlaag duwt. De aarde was geelachtig, dikke klei, en zo gelardeerd met stenen dat je je afvroeg hoe er ooit iets kon groeien. Je ziet soms televisietuiniers een heleboel stenen toevoegen aan hun zogenaamde 'Mediterrane tuinen', maar er zoveel keien bijdoen als hier uit de grond kwamen zouden ze niet durven. Wat uitgegraven was kon niet meer terug; hoopjes stenen lagen als molshopen naast de nieuwe planten.

Plumbago is niet zozeer een klimplant als wel een valplant, vooral spectaculair wanneer hij over een muur omlaagstroomt. Gertrude Jekyll placht plumbago's in potten te gebruiken om lastige hiaten op te vullen in haar blauwe tuin, de takken konden geleid worden over andere planten die uitgebloeid waren. Ze gebruikte plumbago ook om bloemen te verschaffen waar de natuur voor andere planten tekortschoot: deze bloemen moeten er prachtig hebben uitgezien, bijvoorbeeld gedrapeerd over 'weelderige loodblauw gebladerde wijnruit'. Er is ook wel geprobeerd in minder gunstige regionen van de wereld plumbago te kweken, maar zonder succes: E. A. Bowles plantte er tegen zijn zuidmuur (in het bezit van een fraaie bakstenen zuil bouwde hij een muur om hem te ondersteunen en verkreeg zo een muur voor niet winterharde planten) maar de eerste winter overleefde hij al niet.

In gewone tuinboeken zoek je de plumbago vergeefs. In frustratie mijn toevlucht nemend tot Bruggemans Tuinboek voor de tropen zie ik dat plumbago bekend staat als geëigend voor droge grond, hetgeen hoopgevende vooruitzichten oproept voor ons exemplaar in Frankrijk. In een oude tropische Flora worden de blauwe bloemen intrigerend beschreven als 'verliefde luitenantjes'. Waar zou die naam vandaan komen?

Voor hen die geen toegang hebben tot tropische tuinen (het is ook niet zeker of ik de mijne ooit zal terugzien), is er gelukkig een soort poor man's plumbago, een vaste plant die vroeger bekend was als Plumbago larpentiae; zoals Henry Mitchell schreef: “De meeste kwekerijen hebben nooit gehoord van de nieuwe naam, die dan ook pas de laatste vijftig jaar in gebruik is.” Nu is dat Amerika; hier is hij beter bekend onder zijn nieuwe naam, Ceratostigma plumbaginoides, loodkruid. Iedere kwekerij heeft ze (ze moeten zich gemakkelijk laten vermeerderen) en ze hebben zon nodig. De hele zomer lijken ze nergens op en dan in het najaar - nu! - gaat plotseling de zweep erover en dan brengen ze helderblauwe bloemen voort waar je stil van wordt. Een glimp van verre tropische paradijzen in onze kille noordelijke lucht.