Strakke regie van George Tabori

Eén van de daders is inmiddels gepakt, maar nog steeds proberen de Oostenrijkse media de zaak te bagatelliseren. Over de waargebeurde moord op vier zigeuners en de reacties daarop schreef Elfriede Jelinek een furieus toneelstuk, dat in Wenen door George Tabori wordt geregisseerd.

Stecken, Stab und Stangl is nog te zien op 19 en 27 oktober en in de daaropvolgende maanden; inl 0043-1-514440. De door Tabori bewerkte tekst staat in programmaboekje 185 van het Burgtheater en verschijnt in december als pocket bij Rowohlt.

WENEN, 18 OKT. Eens was het een militair gokpaleis, toen nam de NS-Reichskriegerbund er zijn intrek en daarna hielden Russische troepen er huis. In het Weense Kasino am Schwarzenbergplatz, tegenwoordig een dependance van het gerenommeerde Burgtheater, dolen de spoken uit de geschiedenis vrijelijk rond. Schrijfster Elfriede Jelinek voegde er nog wat soortgenoten aan toe, want de zwijgende helden in haar stuk Stecken, Stab und Stangl zijn de geesten van pasgestorvenen.

Als het met adelaars versierde toneelgordijn opengaat, ontwaren we aan de voet van een brede roodwitrode trap vier zwarte doodskisten waarvan de deksels onrustig klapperen. Ze hádden niet dood gewild, deze vier. Maar een bom scheurde hen, de Roma Horvath, Simon, Sarközi en Horvath, aan flarden toen zij bij de ingang van hun Oostenrijkse dorp bezig waren een bord te verwijderen. Die aanslag uit 1995 werd opgeëist door de ultrarechtse Bajuwarische Befreiungsarmee en op het bord had de volgende tekst gestaan: Roma zurück nach Indien!

Jelinek, zelf een Oostenrijkse, schreef voor de slachtoffers een requiem, en tegelijkertijd is haar stuk een satire. Gemunt heeft zij het vooral op diegenen die zichzelf publiekelijk als rechtschapen Oostenrijkers in het zonnetje zetten terwijl ze het nationalistische geweld van vroeger en nu hardhandig uit het vaderlandse bewustzijn proberen te drukken - met behulp van bezweringsformules à la: Jetzt muss endlich Schluss sein!

De grafredenaars in Stecken, Stab und Stangl ontlenen hun gedachten over de vergankelijkheid van al het aardse aan Hölderlin, aan Heidegger en hardcore-nazi's. Over de ware doodsoorzaak van de 'lieve gestorvenen' leggen zij een sluier van filosofische welsprekendheid die ook de massamoorden in de concentratiekampen afdoet als een natuurlijk, dus gewenst en zelfs noodzakelijk proces. Omdat Elfriede Jelinek langs deze cynische weg haar landgenoten zo hinderlijk op hun collectieve schuld blijft wijzen, maakt een der redenaars in het stuk haar woedend uit voor 'verzuurde dubbelkoolzuurhoudende gletsjerspleet'.

Jelineks zelfironie gaat samen met een enorme strengheid. Aanvankelijk verbood zij de opvoering van Stecken, Stab und Stangl in Oostenrijk omdat zij het land wilde straffen voor zijn 'cultuur- en vreemdelingenvijandige klimaat'. De Uraufführung, een jaar geleden, vond dus niet plaats in Oostenrijk maar in Duitsland, dat kennelijk niet gestraft hoefde te worden. Hield Thirza Bruncken in Hamburg zich nog keurig aan de tekst, George Tabori in Wenen (voor wie de schrijfster haar boycot opgaf) heeft 'm flink ingekort en bewerkt, niet gehinderd door het feit dat de Urfassung van 1996 door Theater Heute tot Toneelstuk van het Jaar was uitgeroepen. In een interview liet Tabori zich ontvallen dat hij van Jelineks statische rollenproza een lekker puntig dráma wilde maken.

Maar door zijn drastische weglaatmethode ziet Tabori's enscenering er minder dramatisch uit dan de schrijfster voor ogen moet hebben gestaan. Zo is de slager geschrapt, die hakkende en snijdende dikkerd die de bloederigheid van het Austrofascisme misschien wat al te nadrukkelijk maar wel effectief symboliseerde. De figuren in zijn voorstelling zijn eerder hoofd- dan handarbeiders - op die ene outcast na die steeds de trap ligt te boenen: een verwijzing naar joodse burgers die ooit met tandenborstels Wenen van vuil moesten ontdoen.

Tabori heeft met Jelinek een joodse afkomst gemeen, en hun engagement komt daar zeker mede uit voort. Maar Tabori's engagement in de vorm van moppen (jodenmoppen vooral, zie een door hemzelf geschreven stuk als Mein Kampf) krijgt hier amper een kans. Deze regie van de 83-jarige meester is ongekend serieus, met dat strakke decor en die al even strakke, in loodgrijze kostuums gestoken Burgtheater-acteurs. En door het ontbreken van visuele hints weet je als toeschouwer niet meteen welke publieke personen Jelinek nu precies aanvalt.

Het programmaboek helpt ons een handje: Stab, zo legt de auteur persoonlijk uit, refereert aan de gewiekst-rechtse columnist Staberl van de Kronen-Zeitung. En Stangl, zo heette de commandant van Treblinka. In iedere Oostenrijker steekt volgens Elfriede Jelinek een Stab en een Stangl, in iedere mens althans die 'zijn daden niet constant controleert op fanatisme en uitsluiting van al wat anders is'.

Instemmend knikkend liet het theaterpubliek, op een avond kort na de Weense première, de eerbiedwaardige boodschap van Stecken, Stab und Stangl over zich heen komen. En zo deed het dan toch wat regisseur en auteur zo verfoeien: men voelde zich net als de grafredenaars op het toneel verschrikkelijk rechtschapen en verder dacht men, waarschijnlijk, niet na.