Sociaal gezicht

Het biedt een schokkende aanblik als je iemand in een driedelig pak - met krijtstreepje - voor het Amsterdamse Centraal Station de Daklozenkrant ziet uitventen. Dat kan ons allemaal overkomen, denk je somber.

Bij nadere beschouwing was het geen dakloze die daar stond en zelfs geen armoedzaaier, maar een nep-colporteur: Igor Cornelissen, voormalig redacteur van Vrij Nederland, die een echte zwerver even een handje hielp en niet zonder trots vertelde dat hij al twee Daklozenkranten had verkocht. Hij had wat tijd over gehad voor zijn trein naar Zwolle vertrok. Per vergissing of uit eerbied voor de linkse traditie riep hij trouwens: 'Leest de werklozenkrant!' en dat was natuurlijk niet best voor de naamsbekendheid van de Daklozenkrant.

“Dat kan ons allemaal overkomen”, was precies wat Cornelissen me achteraf zei. Daar voor het Centraal Station, ventend met die krantjes, had hij weer eens beseft “hoe klein de afstand is die ons scheidt van de goot”. Ongetwijfeld bekruipt die angst iedereen wel eens: voor je het weet is het gebeurd, alles kwijt, iedereen weg, glazen ingegooid, schepen verbrand.

Het is deze angst die ook de socioloog Abram de Swaan onder woorden bracht in een lezing over 'Deugd en ondeugd van het mededogen' die hij zondag in de Amsterdamse Lutherse Kerk hield: “Als iemand daar zo zonder benen rond kan schuifelen verpakt in oude lappen, met een kop vol korsten, dan kan mij dat lot toch ook overkomen. Er moet nu meteen en dadelijk iets worden ondernomen om dat uit te sluiten, er moet terstond worden geofferd aan de bedelmonnik.”

Cruciaal voor deze vorm van angst is de identificatie: de goot wenkt. Bij mij werkt het weer een beetje anders dan bij De Swaan. Het lukt niet zo goed me te vereenzelvigen met de schurftige invalide die hij ten tonele voert, want invaliden zijn normaal gesproken in Nederland niet aangewezen op de vrijgevigheid van toevallige voorbijgangers. In de verkopers van de Daklozenkrant kan ik me beter herkennen, zoals in een nachtmerrie. Wat je ziet op straat, zijn mensen die het spoor bijster raakten. Maar het komt toch op hetzelfde neer: het is de angst voor weerloosheid en machteloosheid.

Het aardige van die Daklozenkranten in diverse steden, zoals het Amsterdamse Z dat Cornelissen stond te verkopen, is dat behalve de hoogste nood van de dakloze verkopers, waarschijnlijk ook hun gevoel van machteloosheid enigszins wordt verminderd. Zij leveren namelijk een tegenprestatie in de vorm van een maandblad. Zelfs al zou je het ongelezen weggooien (niet doen, want het is professioneel gemaakt en de moeite waard), de twee gulden die zij innen doen geen afbreuk aan hun eigenwaarde. Een belangrijk verschil met wezenloos gebedel om een aalmoes.

Het is handel, geen caritas. En iedereen mag handelen in bedrukt papier zonder vergunning of verlof, vandaar dat de daklozen kranten en geen veters verkopen. Ik moet erkennen dat bedelarij zonder tegenprestatie me een beetje tegen de borst stuit. Iemand die crepeert, moet niet aangewezen zijn op welke vorm van liefdadigheid dan ook, maar hoort door de overheid te worden geholpen. Dat is geen gunst, zoals vroeger de kerkelijke bedeling en de steun gunsten waren, maar een in de Algemene Bijstandswet verankerd recht. Mijn haren gaan overeind staan als politici het doen voorkomen of zij gunsten uitdelen zodra zij een sociaal gezicht laten zien.

Deze week presenteerde het CDA zijn verkiezingsprogramma dat zoals de voorzitter Tineke Lodders van de programcommissie opmerkte, gedragen wordt door de gedachte: 'Met een christelijk-sociale koers moet winst te boeken zijn'. Het gaat dan meteen over naastenliefde op grond van het Evangelie. Een schitterende inspiratiebron voor sociale bewogenheid, ontegenzeggelijk, maar het 'vertrouwen in de offervaardigheid van mensen en hun mededogen met anderen' roept bij mij toch een echo op van liefdadigheidswerk en diakenhuismannetjes. Temeer omdat de programmacommissie schrijft dat in vrijwilligerswerk en onderlinge betrokkenheid het fundament van de samenleving ligt. 'En niet in de markt, de overheid of het recht.'

Ik zou denken dat het wezenlijke verschil tussen een bedelaarsmaatschappij en een samenleving waarin sociale zekerheid geldt, nu juist zit in het rechtskarakter van de aanspraak op een leefbaar bestaan: niet als gunst, maar als recht; niet op basis van mededogen, maar van wetten. Politici horen niet te doen alsof zij een liefdadigheidsinstelling vertegenwoordigen. Zelfs de daklozenkranten zijn geen liefdadige instellingen. Zij stellen de verkopers - mensen die bijna alles kwijt zijn - in staat hun inkomen en hun gevoel van eigenwaarde op te vijzelen met een vorm van werk.

Hoe dat nu al twee jaar lang lukt, valt te lezen in 'Van de straat: Het wonderbaarlijke avontuur van daklozenkrant Z', een door Podium uitgegeven boek van hoofdredacteur Joke van Kampen. In haar inleiding schrijft ze: “Het hart van Z klopt warm en meestal blijmoedig, maar onder de oppervlakte is er ook woede: de woede over een maatschappij die geen antwoord heeft (of wil hebben) op een vraag van de zwaksten, kwetsbaarsten en meest beschadigden onder ons. Nooit spreken we daarover, ook niet in dit boek, maar doorklinken doet het hopelijk wel.” Doorklinken doet het inderdaad, maar nooit op een hinderlijke opdringerige manier. Het boek verschijnt op 1 november, ter gelegenheid van het miljoenste nummer van de Daklozenkrant. Ik heb het alvast kunnen bemachtigen en kan het alle politici van harte aanbevelen.

Het was mooi dat Igor Cornelissen in zijn zondagse pak de Daklozenkrant verkocht. Het was meer dan een geintje: een vorm van onderlinge betrokkenheid en vrijwilligerswerk, precies zoals het CDA graag ziet. Maar ik moet er niet aan denken dat de kwestbaarsten en meest beschadigden onder ons daarop aangewezen zijn: dan moet Igor, ik ook, samen met Tineke Lodders, dag in dag uit, urenlang in weer en wind voor het station of de supermarkt staan.