Museum

Nog even was er Ajax. Vorige week zaterdag, op het veld van ONA in Gouda. Het elftal van 1971 speelde een benefietwedstrijd voor de nabestaanden van de onlangs overleden Dick van Dijk.

De hoofden van Cruijff, Keizer, Blankenburg, Stuy en Swart die in hun beste dagen het waaien der planeten konden volgen, waren moe. In de gezichten, gelatineuzer dan weleer, woekerden de kreuken van járen. En de ogen waren niet meer bezeten door honger naar de bal. Maar het bleven wel Ajacieden. Autonoom en souverein. Bravoure in ruwe staat. En daarachter: traag en dwalend mededogen voor Dickie en zijn weduwe.

Het Ajax van nu is hightech. Digitaal vermuseumd. Een parade van sprekende poppen. 'De Arena is nu compleet', zei Michael van Praag deze week tijdens de plechtige opening van het Ajax-museum. Hij bedoelde: de exploitatie van de clubhistorie is nu op een professioneel-commerciële leest geschoeid. Het Ajax-museum is kassa.

Herinneringen zijn kosteloos. De historie is er voor iedereen, daar mag geen portemonnee aan te pas komen. Zeker niet in het geval van Ajax, de club die van zichzelf beweert dat ze op liefde is gebouwd. Zuigen en gezogen worden door het verleden is een lot - geen daad. Wie wil nou niet de eerste wedstrijd van Marco van Basten nog eens live meemaken. Om van de boze dribbels van Piet Keizer maar te zwijgen.

Museum is wel een héél groot woord voor een voetbalclub. Zelfs voor Ajax. Hadden die bokalen, foto's en shirtjes niet voor evenveel glorie in een gerestaureerd schuurtje gekund? Of in een grote namaak-kleedkamer? En waarom organisch verbonden met de Arena? De Meer heeft lege panden zat waar je bij het binnenkomen niet wordt toegekotst door een marmeren orgasme. Kunst, omhelsd door staal en beton, is zelden een invitatie voor genot.

Aan de dagelijkse rondleidingen door het stadion is nu een bezoek aan het museum toegevoegd. Een gecombineerde excursie door de multifunctionele Arena neemt zes uur in beslag. Dan wil je wel eens een levende mens tegen het lijf lopen. Of liever nog: een echte Ajacied. Ook mooi meegenomen, de stootkracht van vertrouwde klanken: het gesakker van de materiaalman, een vloek van de coach, de zucht van de geblesseerde, het geruis van ruïneuze staanplaatsen, het glaswerk van de naburige kantine. Het zal de bezoeker van het Ajax-museum niet overkomen. Ja, uit de verte weerklinkt de stem van Kees Jansma, maar dan hebben we het weer over een eenmansmuseumpje waarin alles wordt toegejuicht en niets meer herleeft.

Ajax is voor eens en altijd een pronkstuk geworden. Maar waar is het leven? Binnen het bestuur sluimert een machtsstrijd. Morten Olsen, sinds jaar en dag wars van bombarie, is een inside-wetenschapper en spreekt alleen uit plicht. De broertjes De Boer hebben mooie, aandoenlijke teksten, maar worden door ene meneer Cohen in quarantaine gehouden tot het WK: wanneer het woord 'dollar' is geworden. Danny Blind heeft lak aan conventies, censuur en winstbejag, maar is zo tobberig over zijn hamstring dat het bandeloze lachen hem is vergaan. En de harde supporterskern droomt van bloed in het weiland.

Ajax ademt de anonieme kluiskilte van moneymakers. Dat doen andere clubs ook wel, maar zij hebben nog iets meer gêne in het gekoketteer met ABN-Amro, de bank. Tevens de vrouw achter Babangida. 'De motor achter het zakelijk succes van Babangida is een vrouw, Account Manager bij ABN-AMRO,' lees ik in een advertentie. Op de foto zie je Babangida lachend omkijken naar het silhouet van een vrouwelijke scherf zonder kop. De wansmaak van deze advertentie, afgedrukt over een halve krantenpagina, zegt alles over de bedrijfscultuur van ABN-AMRO én Ajax. Sponsor en club zijn uitwisselbaar: zuinig met smaak en liefde, grof in materiële wellust.

In Gouda speelden de elf van Lucky Ajax een tonnetje bij elkaar voor de weduwe van Dick van Dijk. Het geluk van Piet Keizer kon niet op. Voor een tonnetje per dag doet de directeur van het Ajax-museum niet eens het licht aan. Het gaat immers niet om de historie, het gaat om de toekomst.

En die verheft zich hoog boven weduwen en wezen.