Lelieblank en toch bestraft

Ooit was ik volgens mij de eerste die in Amsterdam werd aangehouden na het afgaan in een warenhuis van de dievenbel. Ik wist nog niet dat die dingen bestonden.

Daarom liep ik argeloos mee terug naar de winkel toen ik op straat op mijn schouder werd getikt: “Kunt u even meekomen.” Ik vond het wel vreemd dat binnen een grote cirkel van mensen mij stond op te wachten. Mijn aanhouder vroeg en plein public: “Mag ik even in uw tas kijken?” Ik had vagelijk het idee dat het wel om een of ander onderzoek naar koopgedrag zou gaan en haalde het gekochte kinderbloesje tevoorschijn. De man graaide in de tas om te zien of er verder niets in zat en kwam met het bonnetje tevoorschijn. “U hebt betaald!” zei hij. “Ja, natuurlijk heb ik betaald”, zei ik in volstrekte verbijstering. Toen verdrong de inmiddels aangegroeide menigte zich om me heen. Dat ik het niet moest nemen. Dat het een schande was. Een verschutting. “Maar wat is er dan?” vroeg ik en hoorde toen van de dievenbel. Zelfs op de fiets werd ik nog achterna gereden door mensen die vonden dat ik het er niet bij moest laten zitten, omdat ik zo te kijk was gezet. Maar ik had een mooi verhaal waarmee ik enkele weken lang vrienden en bekenden heb kunnen vermaken. In het besef dat het een maatschappelijke luxe is een dergelijke ervaring als komisch te kunnen beleven.

Tegenwoordig gaat het met de dievenbel wat eleganter toe en krijg je een kopje koffie als genoegdoening voor het ongemak. Maar wat is blijven bestaan, is in het openbaar ten onrechte beschuldigd worden van boze opzet. Zoals de eerste dag dat ik reisde met een kortingskaart en onnadenkend niet het daluur had afgewacht, maar in de trein van vijf vóór negen was gestapt. “Oh, jee, wat dom, ik moet nog wennen”, zei ik. Maar de conducteur had zijn aardig-geprobeerd

-maar-daar-trap-ik-niet-in-reactie al klaar en ik betaalde verbaasd over de insinuatie de reis opnieuw en de boete. Kort daarop sprak ik een oude mevrouw die iets soortgelijks was overkomen en de openbare verdenking echter als vernederend had ervaren en de aanslag op haar portemonnee als onrechtvaardig.

Erger wordt het als je beschuldigd en bestraft wordt, terwijl je lelieblank van onschuld bent. Zoals de buitenlandse mevrouw over wie de Volkskrant kortgeleden berichtte. Zij had aan het loket een setje van vijf retourkaartjes gekocht, maar de lokettiste had gezegd geen tijd te hebben haar uit te leggen hoe die werkten en dat ze dat maar even aan de treinconducteur moest vragen. Zo'n kaartje moet je echter in één van de verdekt opgestelde automaatjes afstempelen vóór je de trein in gaat. Dat had de mevrouw dus niet gedaan. In plaats van haar kaartje te stempelen en uitleg te geven voor de volgende vier keer, legde de conducteur haar tot woede van medereizigers een boete op en toen ze weigerde die te betalen werd zij door de Spoorwegpolitie uit de trein gehaald.

Hun opdracht om strenger op te treden voeren sommige controleurs wel erg gemakzuchtig uit, want beleefde, onhandige of verstrooide reizigers zijn natuurlijk makkelijker te pakken dan doortrapte zwartrijders.

Een recente eigen ervaring. Dit maal in de tram. Binnen één zone en de toegestane tijd stap ik van de ene tram in een andere over en laat mijn kaartje zien. Conductrice met afgewend hoofd: Die accepteer ik dus niet, die is dus niet geldig.

Ik: ???

Con: Nee, dit is een stempel uit Noord (Over het IJ, en buiten mijn zone)

Ik: Hoe kan dat nou, ik kom van het Centraal Station.

Con: Dat kan niet, want dit is een stempel uit Noord.

Ik: Mevrouw, ik ben vanuit de trein op lijn 4 gestapt, die komt helemaal niet in Noord.

Con: Nee, maar dit is wel een stempel uit Noord, gek hè. Dat kunt u zo zien.

Ik: Ik zou niet weten hoe of ik dat zou kunnen zien.

Con: Dat kunt u net zo goed zien als ik. En daarom zult u zelf ook wel het beste weten hoe u aan dat stempel komt.

Enzovoort, enzovoort. Tot dreigen met een boete van zestig gulden.

Ik deed mijn beklag bij het GVB en kreeg een brief van anderhalf kantje met verontschuldigingen, wat vergeleken met het warenhuis indertijd (“U kunt gaan.”) een hele vooruitgang is. De conducteur van de eerste tram had op zijn stempel de verkeerde code ingesteld, maar de conductrice in de tweede had echt heus “correct gehandeld”, want ik was zelf verantwoordelijk voor mijn vervoersbewijs. In het geheel geen antwoord kreeg ik op de twee gestelde vragen die ik belangrijker vond dan de schuldvraag. Daarom maar weer opnieuw geschreven:

“Het gaat er niet om dat ik niet weet dat ik verantwoordelijk ben voor een geldig vervoersbewijs, maar om het feit dat ik niet weet dat deze verantwoordelijkheid verder reikt dan het juiste aantal zones en de overstaptijd. Beide kan ik controleren. Nu blijkt dat ik ook de codes van de tram en van het instappunt moet controleren. Vandaar mijn beide vragen: Waar staat publiekelijk dat passagiers hun vervoersbewijs moeten controleren op het juiste codenummer van tram en instaphalte? Waar is publiekelijk informatie te vinden over de diverse codes. Met andere woorden: hoe kan ik weten dat halte Centraal Station code 5700 heeft en niet 5711.”

Nog steeds geen antwoord ontvangen.