Kom professor, geef toe

De eerste zin - nou ja, plankenkoorts. De tweede, ook niet best - het zij zo. Maar vanaf de derde zin weet je: dit wordt niks meer. Op de achterste rij wordt gegrinnikt, op de voorste glimlachen je knapste studenten toegeeflijk: laat de prof ook eens een kater hebben. Maar je hebt in geen dagen gedronken. Had je maar! De kater komt later, in het gezelschap van talloze briljante woorden die je, klungelend voor het bord, niet wilden invallen; mosterd na de maaltijd.

Gips is niet glad, maar je krijtje glibbert tussen je vingers op zo'n dag. Hugo Brandt Corstius schreef ooit een meeslepend stukje over het gruwelijke gevoel als je een slecht college gegeven hebt. Eigenlijk moest je na zo'n valse start zeggen: dames en heren, nokken, een rondje van mij in de kantine. Maar dat kan niet als de tv-camera's jou en je mede-discussianten klemvast houden in de lichtkring van de studiolampen.

Dus schrijf ik een stukje mosterd, waarvan u een potje in de provisiekast kunt zetten voor het geval u, zoals ik, iets te ijdel bent om 'nee' te zeggen op een verzoek aan een praatprogramma mee te doen. Praten op tv moet je alleen doen als je eerst een half jaar landmijnen hebt geruimd. Zonder die ervaring ben je zó een paar benen kwijt. Figuurlijk, maar 't is toch onprettig dat honderdduizenden van je gestrompel zitten te genieten.

Het eerste wat u in uw oren moet knopen is: een praatprogramma is geen journalistiek maar amusement. De Rules of Engagement in dit conflict zijn vaag en lijken meer op die in een kroeggesprek dan een wetenschappelijke woordenwisseling. Geen hoor en wederhoor, maar 'gelijke tijd': iedereen even lang aan het woord. In mijn geval betekende dit dat een vijftal mensen, van licht tot ernstig verward, gedurende een klein halfuur mocht belijden dat graancirkels door marsmannetjes gemaakt worden. Daarna mochten er twee - een intelligente en welbespraakte boerin en ik, veel minder snedig - weerwerk bieden. Ik kan het de gastvrouw van de praatshow niet eens kwalijk nemen. Zij verkoopt geen werkelijkheid maar gekleurde tijd, zoals Elsschots Boorman bedrukt papier verkocht.

Niet alleen komt iedereen evenveel aan het woord, een andere regel is dat iedereen evenveel gelijk heeft. Alweer de kroegformule: de waarheid zal wel ongeveer in 't midden liggen, en je bent een zeurpiet als je zegt dat iets aantoonbaar fout is. 'Kom professor, geef een beetje toe', zelfs als een van de gasten beweert dat de dingen zo zijn als je ze zelf wilt zien. Dat hij net als iedereen op zijn stoel zit en niet tussen de hanebalken zweeft, geeft hem geen stof tot nadenken.

Het tweede punt: verwar nooit een sociaal gesprek met een wetenschappelijke discussie. Op bruiloften en partijen weet u dat allang (anders krijgt u vanzelf geen uitnodigingen meer), maar hetzelfde geldt in zo'n praatprogramma. Tijdens de voorbereidingen houdt men zorgvuldig de schijn op dat het om een echte discussie zal gaan, maar dat is flauwekul. Het is dan ook een ernstige fout je op zo'n programma voor te bereiden. Het zal immers niet om feiten of logica gaan, maar om het vullen van zendtijd. Je zet jezelf op het verkeerde been en komt over als een drammerige betweter, een spelbreker die erop uit is echt te winnen, zoals een topvoetballer die zich niet weet in te houden bij een robbertje strandvoetbal.

Daar komt bij dat het publiek geen benul heeft hoe hard het er in de wetenschap aan toe gaat. Zwakheden of onjuistheden worden uitgerookt, vervolgd en ten val gebracht. Und wenn es fällt, dann soll man's auch noch stoszen. Een echte wetenschapper durft zich te omringen met tegenstanders; gelovigen en amateurs doen dat nooit. Als je die afvalt zijn ze 'gekwetst'. Ze willen hun probleem sociaal besproken zien, dus doe vooral niet wetenschappelijk. Hoe meedogenloos wij op de bal spelen, daar snappen ze niks van.

Zo kwam eens in mijn omgeving het 'muishandje' ter sprake, waarbij ik opmerkte dat het interessant was dat marconisten nooit hadden geklaagd over een dergelijke aandoening, terwijl het bedienen van een seinsleutel toch een grotere inspanning is dan het klikken met een muis. Waarop ik te horen kreeg: 'Je neemt me niet serieus.' Juist wèl; maar wie alleen gewend is aan een verjaardagsdiscussie ziet dat niet.

Ten derde: een tegenstrijdigheid wordt in een praatprogramma gezien als een smaakmaker. Gedurende het bovengenoemde halfuur bleek elk van die vijf mensen een andere verklaring voor graancirkels te hebben, maar ieder deed alsof zijn verhaal door die van de andere vier werd versterkt.

Tegenstrijdigheid is contrabande in de wetenschap, maar passeert zonder moeite de douane van de kletskousen. Dat alle horoscopen iets anders vertellen bij dezelfde geboortedatum maakt geen enkele sterrenwichelaar brodeloos. Dat alle godsdiensten inhoudelijk met elkaar strijdig zijn doet mensen niet nadenken over het waarheidsgehalte van hun opvattingen. Het doet ze slechts grijpen naar wapens en terreur.

Ten vierde: kwantitatieve informatie dient hier geen enkel doel, behalve om de tegenstander onder te sneeuwen. 'Er zijn vijfduizend graancirkels gemaakt, en van de meeste kennen we de makers niet. Dus kunnen ze niet allemaal door mensenhanden gemaakt zijn.' Dat er op de wereld miljoenen graffiti gemaakt zijn waarvan we de makers nog veel minder kennen is blijkbaar onvoldoende reden die ook als buitenaards te bestempelen. Maar dat komt nog.

Ten vijfde: verwacht te allen tijde de grofste gotspes. Ik had op het journaal van TV-West laten zien hoe ik in negen minuten een graancirkel maak. Maar in de praatshow zegt een van de gelovigen glashard: 'Jij hebt nog nooit een experiment uitgevoerd, je weet niet waar je over praat.' Woest werd ik, en beging daarop nog een blunder: ik hapte naar adem, zodat de ander door kon gaan. 'Heb je de redoxtest toegepast?' Sprakeloos was ik: de simpelaar bluft dat er een test voor marsmannetjes bestaat!

'Nee, wel de Wassermann.' Dàt had ik moeten zeggen, want honderd tegen één dat die nep-onderzoeker geen flauw benul heeft wat dat voor een test is. Bovendien zijn pseudo-wetenschappers ijdeler dan normale mensen, dus hij zou dat nooit hebben toegegeven. Wat zou ik gelachen hebben na zijn antwoord: 'Nee, de Wassermann nog niet, maar die doen we volgende maand.' Pats, daar slaat de val van Buddingh' dicht: Negatieve rhesus / positieve Wassermann / daar komen rare kinders van. Syfilis, jazeker!

Hàd ik moeten zeggen, maar heb ik niet gezegd, overdonderd als ik was. Esprit d'escalier, de messcherpe riposte die je pas invalt als je de trap af naar buiten loopt. Mosterd na de maaltijd. Zoom naar mijn verblufte gezicht, naar de gniffelende zaal. Eén-nul voor de marsmannetjes! Terecht: kwaad worden is dom. 't Klamme zweet breekt me nog uit als ik die video terugzie.

Je voelt de wellust van de pseudo-wetenschapper, om niet langer de wurggreep van de werkelijkheid om zijn hals te voelen, geen kritiek van zichzelf of collegae, alleen bewonderende blikken. Als de volgende minister van OCW eindelijk een kwart eeuw beleid afrondt en alle universiteiten sluit, is mijn kostje gekocht: miljonair zou ik kunnen worden in het alternatieve circuit (maar dat ga ik niet voor de camera zeggen: 't zou mijn geloofwaardigheid nu aantasten, en mijn toekomstige markt verpesten).

Ten slotte, laat je wetenschappelijk taalgebruik binnen de muren van bibliotheek en laboratorium. Het is daarbinnen anders dan buiten. Zelfs 'UFO' lijkt neutraal maar is het niet: misschien is het wel Unidentified, maar niet noodzakelijk Flying (meteoor) en ook geen Object (landingslichten tegen wolk). En als het geen U blijkt te zijn omdat je het kunt verklaren, zijn ze kwaad en gaan er achteraf allerlei dingen bijverzinnen.

Dus laat die wetenschap maar thuis en verplaats je naar het café. In het lab kun je niet tegen je vriendin zeggen: Jij bent de leukste vrouw ter wereld. Exacter zou zijn: Van alle vrouwen die ik ken ben jij de leukste. En het kan nog nauwkeuriger. Zucht - het is een wonder dat wetenschappers zich nog voortplanten.