Kindermishandeling

OP BIJNA TIEN procent van de basisscholen weten leerkrachten en directie niet wat ze moeten doen als ze vermoeden dat een van hun leerlingen thuis mishandeld wordt. Op een kwart van de basisscholen waar kindermishandeling speciale aandacht heeft kent men de Bureaus Vertrouwensarts niet. En als men die bureaus wel kent, dan weet ruim eenderde van de scholen niet precies hoe ze werken.

“Teleurstellende cijfers”, zegt Jo Hermanns, hoogleraar algemene opvoedkunde aan de Universiteit van Amsterdam. Afgelopen week bracht de Werkgroep Meldpunt Kindermishandeling, die onder Hermanns voorzitterschap stond, het eindadvies uit aan de staatssecretarissen Terpstra van VWS en Schmitz van Justitie.

Tot op heden komen meldingen van kindermishandeling, of een vermoeden daarvan, versnipperd binnen bij de Bureaus Vertrouwensarts, de Raad voor de Kinderbescherming en de politie. Overal wordt anders met de meldingen omgesprongen. Als het aan Hermanns en zijn werkgroep ligt komt er een landelijk gespreid netwerk van neutrale meldpunten, waarin al deze instanties samenwerken. Deze Advies- en Meldpunten Kindermishandeling (AMK's), zoals ze zullen gaan heten, functioneren overal op dezelfde manier, zijn onder één landelijk 0900-nummer te bereiken en moeten zowel voor het grote publiek als voor beroepsmensen die met kinderen werken, duidelijk herkenbaar, gemakkelijk bereikbaar en direct toegankelijk zijn.

Wie een vermoeden van kindermishandeling heeft in zijn directe omgeving kan op deze nieuwe AMK's terecht voor een uitgebreid advies en een eventueel doorlopend consult, wie zeker weet dat er sprake is van kindermishandeling doet een melding.

In alle gevallen wordt gestreefd naar een zo groot mogelijke openheid. Mensen die een vermoeden van kindermishandeling hebben worden zo veel mogelijk gestimuleerd om zelf actie te ondernemen, bijvoorbeeld door hun zorg aan de ouders kenbaar te maken of de school in te schakelen. Ze zullen daarbij intensief gesteund kunnen worden door de gespecialiseerde medewerkers van het AMK-nieuwe-stijl.

Het afgelopen anderhalf jaar is er in de regio's Friesland, Drenthe en grootstedelijk Amsterdam/Gooi met de nieuwe opzet geëxperimenteerd. Onderzoek heeft deze experimenten begeleid, zodat de Werkgroep kon nagaan welke gevolgen de nieuwe werkwijze heeft voor alle betrokkenen. In de regio Amsterdam bleek het succes van de nieuwe werkwijze al meteen zo groot dat het aantal adviesvragen en meldingen het afgelopen anderhalf jaar met dertig procent steeg, en er een wachtlijst is ontstaan van zes tot acht weken.

“Scholen en kinderdagverblijven spelen een belangrijke rol als het gaat om signalering van kindermishandeling”, zegt Hermanns. “Van de leerkrachten heeft 54 procent wel eens een reëel vermoeden van kindermishandeling, maar 25 procent zegt zo'n vermoeden nooit te melden. Op bijna de helft van de basisscholen wordt een vermoeden altijd gemeld, 25 procent van de scholen meldt een vermoeden van kindermishandeling nooit. Het overige kwart van de scholen meldt af en toe.”

De reden voor dit wisselend meldgedrag moet volgens Hermanns voor een deel gezocht worden in teleurstellende ervaringen met de meldpunten: er verbeterde niet merkbaar iets aan de situatie van het kind en men hoorde nooit meer iets terug. “Maar”, benadrukt Hermanns, “veel leerkrachten zijn bang om de relatie met het kind en de ouders op het spel te zetten. Ze melden niet, maar weten ook niet precies hoe ze een gesprek met kinderen en ouders moeten voeren over een precair onderwerp als dit.”

In de nieuwe AMK's krijgt de advies- en consultfunctie een veel prominentere plaats, legt Hermanns uit. Hij hoopt dat leerkrachten dan ook vaker hun vermoedens zullen bespreken met de medewerkers van de AMK's. Daarnaast pleit hij nadrukkelijk voor een meldcode op scholen en kinderdagverblijven. Dat is een protocol waarin is vastgelegd wat er moet gebeuren indien er een vermoeden van kindermishandeling is. Daaronder valt ook seksueel misbruik, psychische vernederingen en verwaarlozing.

Niet bekend

Dat kan soms fatale gevolgen hebben. Uit een onderzoek onder huisartsen dat de Werkgroep liet verrichten blijkt dat er jaarlijks veertig kinderen de dood vinden door kindermishandeling. Hermanns: “Als je daar de misdrijven die bij de politie terechtkomen, maar niet als kindermishandeling in de statistieken zijn terug te vinden bij optelt, dan kom je volgens een zeer grove schatting uit op tussen de vijftig en honderd kinderen voor wie de mishandeling fataal afloopt.” Om de hulpverleningsinstellingen te ontlasten en plaats vrij te maken voor de meest ernstige en acute gevallen van mishandeling, pleit Hermanns voor het opzetten van 'zorgprogramma's' voor een grote groep ouders die hun kinderen uit onmacht en onvermogen mishandelt en direct baat zou hebben bij oudergroepen, opvoedingscursussen en laagdrempelige pedagogische spreekuren.

Ook benadrukt Hermanns dat leerkrachten zich moeten trainen in het voeren van gesprekken met ouders, want uit ander onderzoek blijkt dat mishandelende ouders die hulp zoeken behalve het consultatiebureau en de huisarts, vaak de leerkracht in vertrouwen proberen te nemen. Ook kinderen die van schoolkameraadjes horen dat ze thuis mishandeld worden, melden dit regelmatig aan de meester of juf. “Scholen hoeven geen Riagg-je gaan spelen”, vindt Hermanns, “maar ze moeten wel met ouders kunnen praten, ze ondersteunen en de weg wijzen naar de hulpverlening. Vergeet niet dat veel mishandeling uit de hand gelopen straf is voor teleurstellende schoolprestaties.”

Dat basisscholen heel verschillend omgaan met vermoedens van kindermishandeling weten Irma Stavenuiter en Nicolien Bremmers, beiden als maatschappelijk werker werkzaam bij het Amsterdams model-AMK, uit ervaring. “Er zijn scholen die pas bellen als ze intern alles al geprobeerd hebben”, zegt Stavenuiter. “Ze hebben met de ouders proberen te praten, de intern begeleider heeft zich ermee bemoeid en de schoolarts is ingeschakeld. Als dat allemaal niet heeft geholpen bellen ze met ons. Andere scholen reageren in paniek als ze denken een signaal opgevangen te hebben van kindermishandeling. Ze weten totaal niet wat ze moeten doen.”

Er zijn ook scholen, zo weten de maatschappelijke werkers, die de melding 'droppen' bij een meldpunt. Zo is het opvallend dat er altijd een groot aantal meldingen vlak voor de zomervakantie binnenkomt. “Bij navraag blijken die leerkrachten zich al heel lang zorgen te maken om zo'n kind”, zegt Bremmers. Doordat er in de nieuwe werkwijze van het AMK veel aandacht is voor advies en consult zien de twee medewerkers de relatie met de scholen duidelijk verbeteren. “Er wordt meer verantwoordelijkheid gelegd bij de melder, en dat blijkt heel goed te werken.”