Hollandse burgermansgeest in volkse en vette klucht

Voorstelling: Trijntje Cornelis van Constantijn Huygens door Het Toneel Speelt. Regie: Hans Croiset. Decor/kostuums: Rien Bekkers. Licht: Reinier Tweebeeke. Spel: Pim Lambeau, Jules Croiset, Alice Reys e.a. Gezien: 17/10, Stadsschouwburg, Utrecht. Aldaar t/m 19/10. Elders t/m 10/01. Inl. 020-5237767.

De vergelijking dringt zich op, de overeenkomsten zijn te frappant om ze niet op te merken. Twee dagen geleden bracht Toneelgroep Amsterdam Zinsbegoocheling uit, van de Franse toneelschrijver Pierre Corneille. Gisteren ging bij Het Toneel Speelt Trijntje Cornelis in première, van onze eigen Constantijn Huygens, een tijdgenoot van Corneille. Huygens stierf in 1687, drie jaar na Corneille. Zinsbegoocheling is van 1639, Trijntje Cornelis van 1653. Rien Bekkers ontwierp voor de productie van Toneelgroep Amsterdam de kostuums en voor die van Het Toneel Speelt naast de kostuums ook het decor. Reinier Tweebeeke maakte voor beide voorstellingen het lichtontwerp.

Frappanter nog zijn de verschillen: twee landen, twee werelden. Is het in hoge kringen spelende Franse stuk een elegante komedie vol retorisch vernuft, het Nederlandse staat stevig in de klei en is een volkse en vette klucht, met een ongepolijste, lik op stuk-toon. Handelt het eerste over de edele theaterkunst en over de liefde, het tweede refereert aan praktisch-politieke omstandigheden als de Vrede van Munster (1648) en gaat over de gevaren van al te grote nieuwsgierig- en lichtzinnigheid en over de onvermijdelijke sancties op liederlijk gedrag.

In één en dezelfde week staan Franse Verlichtingsideeën tegenover Hollandse burgermans-inzichten op het toneel: Europa lijkt nog ver weg, ineens.

Het is niet goed om deze twee voorstellingen achter elkaar te zien, want er is helaas nog meer diametraals. Zo schitterend als Gerardjan Rijnders' enscenering van Zinsbegoocheling is, zo ondermaats is die van Hans Croiset van Trijntje Cornelis. Het Toneel Speelt is een lofwaardig initiatief en een moedige onderneming. Zonder subsidie legt het zich toe op het jaarlijks uitbrengen van twee uitvoeringen van klassiek en hedendaags Nederlands repertoire. Dat is mooi, maar een voorstelling als Trijntje Cornelis toont toch vooral aan dat het nog mooier is, dat er subsidies bestaan.

Alles is er armoedig aan, zonder de charme van de eenvoud. Een schetsmatige, halve scheepsromp is de lelijke begrenzing van de dekvlonder, waarop gespeeld wordt. Twee akelig anachronistische fauteuils, type vuilnisbelt anno nu, verbeelden zowel het geldgebrek van het milieu waarin het stuk speelt als van het uitvoerende gezelschap. Geld was er klaarblijkelijk alleen voor het kostuum van de titelheldin (gespeeld door Alice Reys), alle anderen lijken van thuis afdankertjes te hebben meegenomen die door Bekkers zijn goedgekeurd. Bekkers, terecht beroemd om zijn uitgelezen ontwerpen, laat Pim Lambeau als de Antwerpsesnol Marie rondsjokken in iets onbestemd zwart glimmends, met een hoge split die haar beroep moet evoceren.

Rondsjokken doen sowieso alle spelers. Waar is de dansante mise-en-scène, waarjuist Hans Croiset zo goed in is? Nergens - alles is even looiig en traag, hoe hoog het tempo waarin de acteurs hun teksten erdoor jagen ook ligt. Het verhaaltje van de Zaanse schippersvrouw Trijntje, die in het vreemde Antwerpen verdwaalt, dronken gevoerd wordt door Marie om, verkracht en beroofd, te ontwaken op een mestvaalt en vervolgens weer met haar man huiswaarts te keren, heeft tot niets anders geïnspireerd dan een vermoeiende kijftoon in combinatie met log en fantasieloos spel.

Huygens' stuk bestaat uit een ellenlang 'voorbericht', een twaalf scènes tellend eerste bedrijf, een tweede bedrijf met één enkele scène, drie overige bedrijven van al even uiteenlopende lengte en een piepklein epiloogje. Aan zoiets onevenwichtigs zie ik weinig prijzenswaardigs, vergeleken bij Corneille is het in alle opzichten primitief. Misschien heeft het precies de uitvoering gekregen die het verdient.