Hoe joodse overlevenden hun recht moesten halen na de oorlog; De beloning der rechtvaardigen

Het gebruikelijke erfrecht toegepast op de claims van joodse overlevenden en nabestaanden. Dat resulteerde na de oorlog in bizarre berekeningen ('62.228.187.819/2.655.313.920.000 gedeelte van een claim') en bizarre uitkeringen ('ƒ 0,21'). En dat alles in negentiende-eeuws bureaucratisch tempo. 'Ik verzoek U dringend mij niet schriftelijk dan wel mondeling aan Uw aanvrage te herinneren.' Laatste deel van een tweeluik over het rechtsherstel na de oorlog.

Het was een ontdekking van mijn zus. We waren met onze moeder naar de Auschwitz-herdenking op het Wertheimplantsoen geweest. Onder meer om de ouders van mijn vader te gedenken. We vroegen onze moeder naar welk concentratiekamp háár familie was gedeporteerd. “Sobibor”, zei ze. “Een aantal van mijn tantes en ooms kwam daar om, onder wie de ouders van mijn nicht Else.”

Daarna waren we schuin naar de overkant gelopen voor een bezoek aan de Hollandse Schouwburg: in de oorlog de plaats waar alle opgepakte joden bijeen werden gedreven en tegenwoordig in gebruik als 'educatief monument'. Bij een vitrine met briefkaarten bleef mijn zus gebiologeerd staan kijken. Ze haalde mijn moeder erbij, die verstarde. “Maar die kaart is geschreven door oom Bram en tante Liesje”, zei ze. Het is een geïmproviseerde briefkaart, die mijn moeders oom en tante tijdens hun deportatie ergens op een station uit de trein moeten hebben gegooid. Mijn moeder had die kaart nooit eerder gezien.

De datering luidt 'trein, 9 uur' en de kaart is in Amersfoort door iemand op de bus gedaan. “Lieve Else, vanuit de trein onze groeten”, schrijft Liesje aan haar dochter. “Je begrijpt hoe wij het vinden doch wat is er aan te doen. Wij weten dat jullie allen jullie best gedaan hebben. Houden jullie maar moed, wij zullen het ook proberen. Houd je rustig, niemand kan zijn noodlot ontgaan. (...) Duizend kussen en zij verstandig. Je liefh. M.”

Het zijn sporen die af en toe opduiken van een weggevaagd verleden. Oom Bram en tante Liesje kwamen om. Onlangs telde ik alle familieleden die in de oorlog zijn vermoord: 63 in totaal, de jongste was 10 en de oudste 83. “Het waren kleine families”, zegt mijn moeder. “Bij veel joden is dat aantal groter.”

De nabestaanden konden destijds uiteraard vermoeden wat er met hun vermiste familieleden was gebeurd, maar ze moesten vaak jarenlang wachten op de officiële bevestiging van hun dood. In oktober 1948 krijgt mijn vader een voorgedrukte briefkaart van het Rode Kruis waarin de directeur hem meedeelt, “wegens het overstelpende aantal aanvragen” nog geen overlijdensverklaringen te kunnen overleggen. “Ik verzoek U dringend mij niet schriftelijk dan wel mondeling aan Uw aanvrage te herinneren.” Later - ruim zes jaar na de dood van zijn ouders - ontvangt hij bericht van het informatiebureau van het Rode Kruis. Op “een door de bezettende macht samengestelde lijst” komen op Blatt C 29 no 393 en op Blatt C 33 no 433 de namen voor van zijn moeder respectievelijk zijn vader, waaruit blijkt dat beiden in Auschwitz als gevolg van “ziekte, uitputting of vergassing” zijn overleden.

Over het lot van zijn grootmoeder laat het Rode Kruis weten: “In aanmerking genomen, dat uit verklaringen, afgelegd door drie personen, te weten Sara Engel-Wijnberg, Chaim Engel (...) en Ursula Stern (...) die van de ruim 33.000 uit Nederland naar Sobibor gedeporteerde personen het langdurig verblijf in dit kamp overleefden, blijkt, dat vrijwel alle personen die naar Sobibor werden gevoerd, onmiddellijk na aankomst door gas werden verstikt en daarna gecremeerd; voorts dat van of omtrent gezochte sedert de deportatie niets naders werd vernomen; kan worden vastgesteld, dat Alida Bosman-Frankfort voornoemd, op of omstreeks 21 mei 1943 aan de gevolgen van gasverstikking is overleden.”

Zolang het overlijden van mijn grootouders niet officieel is, staan ze als 'afwezig' te boek. Zo kan het gebeuren dat mijn vader in december 1945 een aanschrijving krijgt van de Nationale Hypotheekbank, waarin mijn overleden grootvader wordt gemaand “het verschuldigde bedrag als gespecificeerd in de kolommen 2,5,6,7 en 8 te voldoen en bij adresverandering daarvan kennis te geven aan de Bank”.

Pas wanneer het overlijden staat ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand, kunnen de nalatenschappen worden afgehandeld. Hele familietakken waren uitgeroeid. Steeds moest worden gekeken wie het eerst waren vermoord: de man of zijn echtgenote, de kinderen of hun ouders, de tantes en de ooms of de neven en de nichten.

“Mozes Goudvis en zijn echtgenote Dora van Blankensteyn zijn op of omstreeks 10-9-1943 overleden”, schrijft notaris Zweers in 1949 aan mijn vaders advocaat. “Jansje van Blankensteyn op of omstreeks 1 februari 1943, Robbert Goudvis op of omstreeks 21 mei 1943. Ten aanzien van Elly Dora en Hendrik Lucas en de heer en mevrouw de Vries en hun enige zoon kan het Rode Kruis nog geen nadere gegevens verstrekken. Mochten laatstgenoemden ook overleden zijn, dan zou dit tot gevolg hebben dat Jansje niet meegeërfd heeft, daar zij voor de erflaatster is overleden. Duifje van Blankensteyn is echter na mevrouw Bosman overleden. Robbert is voor zijn ouders overleden en komt dus ook niet in aanmerking.”

De definitieve afhandeling van dergelijke nalatenschappen kon jaren in beslag nemen. Op 23 juli 1963 ontvangt mijn vader een brief van notaris Overberg. “Te mijnen kantore zijn sedert jaren in behandeling de nalatenschappen van de familie van Emden”, schrijft hij. “Eerst einde vorig jaar was ik in staat een verklaring van erfrecht betreffende deze familie te voltooien.” Mijn vader wist in dit geval niet om wie het ging, hij vraagt de notaris hem een stamboom op te sturen. “Hij wilde weten of dit familie van moederskant of van vaderskant was”, zegt mijn moeder.

Mijn vaders vriend Bob Engelsman (76) vertelt dat hij beheerder was van de nalatenschap van een ver familielid. Die nalatenschap bestond uit een huis in de Amsterdamse Van Ostadestraat. “In de loop van de jaren was er natuurlijk uit de huuropbrengst van dat huis een klein kapitaaltje ontstaan”, zegt hij. “Maar de notaris kon de vererving daarvan niet vaststellen, omdat bij één tak van die familie het spoor dood liep. In 1986 heb ik een volmacht ondertekend, omdat het pand toen geveild is. Deze boedel is van de ene naar de andere notaris gegaan. Uiteindelijk zei de laatste tegen me: mijnheer Engelsman, ik heb geen mensen meer beschikbaar om dit nog verder uit te zoeken.” Engelsman woont inmiddels in het buitenland, het is hem onbekend of deze nalatenschap uiteindelijk volledig is verdeeld.

Ik dacht dat u dood was

Vlak na de bevrijding waren de overlevenden van de shoah meestal begonnen met het bij elkaar zoeken van hun bezittingen, tenminste voor zover die bij bewariërs waren ondergebracht. Mijn vaders achterneef Bram Polak (76): “O God, ik dacht dat u ook dood was, kreeg ik te horen.” Mijn vader meldde zich in 1946 bij de vrouw die de Perzische kleedjes van zijn ouders in bewaring had genomen. “Ze zei hem dat ze die echt niet kon missen”, herinnert mijn moeder zich. “Je vader vertrok weer en vertelde aan een vriend wat hem was overkomen. 'Ben je besodemieterd', was diens reactie. 'We gaan die dingen halen.' Je vader bleef beneden staan. Zijn vriend belde aan, liep naar binnen, schoof de meubels opzij en nam de kleedjes zo mee. Die vrouw keek toe en zweeg.”

Mijn vaders vriend Sam Bos (75) verloor zijn hele familie in de oorlog. Na de bevrijding bleken nog vrij veel foto's bewaard. “Maar ik kon daar nooit naar kijken. Pas een paar jaar geleden heb ik ze allemaal in een album gedaan.” Veel door zijn ouders ondergebrachte bezittingen gaf hij aan de mensen die het voor hen hadden bewaard. Een paar kisten met inhoud nam hij wel mee. Hij en zijn vrouw gebruikten de kisten aanvankelijk als ondergrond voor hun matras, later als tafeltje. “We verhuisden ze steeds mee, van het ene adres naar het andere.” Op aandringen van hun kinderen maakten ze in de jaren zestig de kisten eindelijk pas open. “Er kwam allerlei serviesgoed tevoorschijn. Karaffen, ingepakt in kranten met koppen als Duitschland wint op alle fronten.”

In de jaren zestig kwam de uitbetaling van smartengeld door West-Duitsland aan de joodse gemeenschap in Nederland op gang. “Herstelbetalingen en Wiedergutmachung zijn onjuiste benamingen”, schrijft prof. dr. I. Lipschits in zijn dit jaar verschenen boek Tsedaka, over vijftig jaar joods maatschappelijk werk in Nederland. “Van een herstel van de aangebrachte schade kon alleen in materiële zin sprake zijn en dan nog alleen als een gedeeltelijke vergoeding van wat er vernietigd en geroofd was. Herstel van de vooroorlogse joodse gemeenschap was een onmogelijkheid.”

Een bedrag van 125 miljoen mark was bestemd voor door nazi-vervolgden geleden immateriële schade, in de volksmond 'sterrengeld' geheten. Vrijheidsberoving gedurende drie maanden of langer leverde één punt per week op, wie gedurende een half jaar of langer een 'jodenster' had gedragen kreeg één punt per drie weken, in het geval van gedwongen sterilisatie of invaliditeit werden vijftig punten toegekend.

Nadat alle claims waren binnengekomen werd het totale beschikbare bedrag gedeeld door het aantal toegekende punten. Die berekening resulteerde uiteindelijk in 3.140 gulden voor een dode en 31 gulden veertig voor iedere week concentratiekamp. Aan mijn vader werden 42 punten 'sterrengeld' toegekend. De daaruit voortvloeiende uitkering diende hij onder voorlegging van een 'deugdelijk legitimatiebewijs' persoonlijk op het postkantoor af te halen.

Waarschijnlijk zijn mijn grootouders wel van plan geweest onder te duiken op het moment dat ze een oproep zouden krijgen om zich te melden, maar voordat het zover was werden ze begin augustus 1942 tijdens een razzia uit hun huis gehaald. Veel van hun bezittingen waren toen al elders ondergebracht, zodat er bij hen niet zo veel te halen viel.

De huizen van weggevoerde joden werden onmiddellijk leeggehaald door een verhuiswagen van de firma A. Puls, het zogeheten 'pulsen'. Het betrof hier een 'solidariteitsschenking' van het Nederlandse volk aan Duitsland. De goederen werden doorgaans met boten afgevoerd: tafels bij tafels, stoelen bij stoelen, dressoirs bij dressoirs.

Bizarre breuken

Begin jaren vijftig begon West-Duitsland met het betalen van schadevergoedingen voor die geroofde huisraad. In Nederland werd dat afgehandeld door ambtenaren van het ministerie van Financiën, georganiseerd in het Centraal Afwikkelingsbureau Duitse Schade-Uitkeringen, wier salaris uit de pot van de schadevergoedingen werd betaald. Namens de joodse gemeenschap trad de Stichting der Joodse Kerkgenootschappen en Sociale Organisaties (JOKOS) op. “Zodra er één erfgenaam bekend was die een claim indiende voor huisraadschade, was Bonn bereid het hele bedrag van die uitkering naar Nederland over te maken, mits de Stichting Jokos curator werd van de onbekende erfgenamen”, aldus prof. Lipschits, die het Jokos-archief beheert.

“Dus als die mijnheer in de mannelijke lijn de enige erfgenaam was, kreeg hij de helft van die uitkering en een notaris moest uitzoeken wie de overige erfgenamen waren. In een normale situatie erven de kinderen van hun ouders, maar hier waren hele familietakken uitgeroeid, waardoor er soms één achterneef overbleef.”

Omdat het Nederlands recht bepaalt dat familieleden desnoods tot in de zesde graad rechtmatig erfgenaam zijn, waren notarissen vaak jaren bezig om na te gaan wie er van een bepaalde staak, zoals in juridische spraak één familietak heet, nog in leven waren. De verklaringen van erfrecht konden in zulke gevallen uiteindelijk vele tientallen namen bevatten, van mensen die allemaal recht hadden op een miniem deel van de erfenis. Het doorvoeren van de gebruikelijke wetgeving in een abnormale situatie waarbij meer dan honderdduizend (joodse) Nederlanders waren vermoord, had vergaande consequenties. Zo ontstonden bij de verdeling van nalatenschappen en dus ook van de Jokos-uitkeringen bizarre breuken en soms ook bizarre bedragen. Lipschits citeert uit een geanonimiseerd Jokos-dossier. Daar moet aan onbekende erfgenamen nog 62.228.187.819 / 2.655.313.920.000 gedeelte van een claim worden uitgekeerd.

Mosje Speijer drukt in zijn in 1991 verschenen scriptie Wiedergutmachung.....? een brief af die hij in 1967 van een notaris ontving: “Weledelgeboren heer, Hiermede bericht ik u, dat u in de Jokos-uitkeringen als volgt bent gerechtigd: L. Hamme-Snoek ƒ 0,21, H.L. Beck ƒ 0,23, I. Poons ƒ 0,26. Totaal: ƒ 0,70. Bij uitbetaling te verminderen met kosten giro-cheque ƒ 0,50. Resteert: ƒ 0,20.” De notaris deelt hem voorts mede dat hij tevens in de Jokos-claim inzake M. Snoek gerechtigd is voor 9343/226492416 gedeelte.

Notaris P. M. van der Laan handelde vele Jokos-claims af. “Het was moeilijk en tijdrovend werk. Het grote probleem vormden de soms onbekende overlijdensdata”, zegt hij. “Er waren daarom heel wat claims waarvan je de exacte breukdelen nooit rond kreeg.” Hij spreekt over “een typisch negentiende-eeuwse juridische benadering” die gehanteerd werd. “Daarmee had iedereen schone handen, maar in de praktijk waren het vaak verre neven en nichten die nog iets kregen.”

Volgens prof. Lipschits “hebben sommige notarissen waanzinnig veel aan honoraria verdiend” aan de afhandeling van de Jokos-claims. “Al hebben velen uiteindelijk ook weer grote sommen geld die ze niet konden uitkeren aan joodse organisaties geschonken.”

Sinds alle publiciteit over slapende joodse rekeningen, komen er bij het Joods Maatschappelijk Werk, de rechtsopvolger van de Stichting Jokos, talrijke verzoeken binnen om nadere inlichtingen over de huisraadclaims. “We hebben nu een stuk of tachtig van die dossiers uitgezocht”, zegt JMW-directeur H. G. Vuijsje. Het is nog niet voorgekomen dat iemand alsnog recht blijkt te hebben op (een deel van) een uitkering. “Soms blijkt dat de persoon in kwestie zelf destijds al geld heeft ontvangen, maar dat is vergeten of heeft verdrongen”, zegt Vuijsje. “Alleen al het noemen van een aantal namen en het nog eens herhalen van het bedrag is voor die mensen vaak plezierig. Dan krijgen ze toch even een stukje van hun geschiedenis terug.”

Mijn vader kreeg drie Jokos-uitkeringen, waarvan de laatste in 1980 - ik realiseer me dat hij na de oorlog vrijwel zijn hele leven nog met de afwikkeling van nalatenschappen is geconfronteerd. De laatste betaling bedroeg 343 gulden 73 cent omdat hij voor 64/160 deel erfgenaam bleek te zijn van het echtpaar Van Gelder-Sanders. Andere gerechtigden in deze claim ontvingen respectievelijk 39 gulden 38, 14 gulden 33 en 5 gulden 37. “Iedere gehonoreerde claim werd uitgekeerd aan de notaris, die zijn onkosten en honorarium er aftrok”, zegt Lipschits. “We hebben nooit kunnen controleren hoeveel er uiteindelijk is uitgekeerd.” Van notaris G. Meuleman is bekend dat hij 1,4 miljoen gulden aan niet-uitgekeerde schadevergoedingen onder zijn beheer had en om die reden door het tuchtcollege werd ontheven van deze taak. De uitkering die mijn vader in 1980 ontving, blijkt correct afgehandeld door notaris A. Verhoeven - al lijkt duizend gulden honorarium op een totale claim van drieduizend gulden wel wat veel.

Dezelfde notaris Verhoeven is in 1982 uit zijn ambt ontzet en tevens failliet verklaard. Notaris A. van der Laan, destijds eerst waarnemer en later curator van Verhoeven, schat desgevraagd dat met het faillissement van Verhoeven 'enkele tonnen' aan joodse schadevergoedingen zijn verdwenen. Het precieze bedrag is niet meer te achterhalen. Over het faillissement is destijds een akkoord gesloten en het archief van wijlen Verhoeven - in beheer bij Van der Laan - beslaat “een dertigtal dozen”.

Piano met kruk

Zelden zullen plunderingen zo exact geregistreerd zijn als de Duitsers dat in de oorlog deden. In het Jokos-dossier vind ik de Abnahmeverzeichnis terug van de familie Van Dantzig, bestaande uit mijn vaders achterneef Eduard, diens vrouw Sara en hun zoon Paul. “Uit de woning van de Jood Eduard van Dantzig, Beukelsweg 70A, Rotterdam werden de volgende meubels en huisraad overgenomen”, staat op bladzijde 1. Dan volgt kamer voor kamer de lijst met de geroofde goederen. Uit de voorkamer kwamen: linoleum, bestek, 1 tapijt, 1 tafel met tafelkleed, 1 haard met afdekplaat, 3 fauteuils, 1 sofa, 1 schemerlamp, 2 stoelen, 1 buffet (leeg), 1 spiegel, 4 schilderijen, 1 kussen, 1 bloementafeltje met bloempot, 2 vitrages, 4 gordijnen en 1 kroonluchter. De totale waarde van de inventarislijst van 8 december 1942, opgemaakt en ondertekend door Nederlandse politieagenten, bedraagt 965 gulden, inclusief - onderstreept - een piano van het merk Adolf Lehmann, met kruk.

Van de in verband met deze 'huisraadschade' ingediende claim ontvangt mijn vader in 1964 1/12 deel. Door 'onbekendheid van erfgenamen' bedraagt de uitkering volgens de notaris 3821/3840 gedeelte van de oorspronkelijke claim.

Tijdens de bezetting krijgen de Nederlandse joden te horen dat ze “ingevolge artikel 5, jo. artikel 2 sub 2 van de verordening 58/1942” hun polissen van levensverzekeringen en lijfrenten dienen in te leveren bij de Duitse roofbank Lippmann Rosenthal Sarphatistraat. In juni 1943 moeten de verzekeringsmaatschappijen de in beslag genomen 'joodse' polissen afkopen. De opbrengst van de afkoopsommen (ongeveer 23 miljoen gulden) gebruiken de Duitsers onder meer voor het transport van gedeporteerde joden. Na de oorlog menen de verzekeraars dat ze met de afkoopsom zijn ontslagen van hun verplichtingen jegens de erfgenamen. Ze wijzen er bovendien op dat sommige polishouders al vóór juni 1943 waren opgehouden met het betalen van premies.

Uiteindelijk oordeelt de Raad voor het Rechtsherstel dat “rekening dient te worden gehouden met de destijds bestaande onmogelijkheid voor de Joden om vervallen premies te betalen”. Daar de afkoop bovendien op bevel van de bezetter en tegen de wil van de polishouders is geschied, verplicht de Raad de verzekeringsmaatschappijen het volledige verzekerde bedrag uit te keren en niet de afkoopwaarde.

Niet bekend

Uiteindelijk keert de Nederlanden van 1845 toch het verzekerde bedrag uit, echter met aftrek van de in september 1942 vervallen premie à 430 gulden. Hoezo met aftrek van deze premie? Mijn grootouders waren in september 1942 al gedeporteerd en in Auschwitz vermoord.

De maatschappij zal destijds hebben gedacht dat mijn grootvader na de premievervaldag (september 1942) was overleden, zegt in eerste instantie de woordvoerder van de Nationale Nederlanden, rechtsopvolger van de Nederlanden van 1845. Maar uit de in mijn bezit zijnde correspondentie blijkt dat de Nederlanden in 1949 aan de advocaat van mijn vader schrijft dat ze de zaak niet willen schikken, juist omdat mijn grootvader was overleden voordat de afkoopsom aan Lippmann werd betaald.

In een brief van 10 oktober 1997 laat dr. W. Kalkman namens de Nationale Nederlanden weten dat de Nederlanden van 1845 in de zomer van 1949 “met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid” niet op de hoogte is gesteld van de exacte overlijdensdatum van mijn grootvader, hoewel die al sinds december 1948 vast stond. “Juridisch gezien zouden wij ons dan ook op het standpunt kunnen stellen dat wij het bedrag van 430 gulden niet meer verschuldigd zijn”, schrijft Kalkman. “Desalniettemin zijn wij bereid, geheel onverplicht, het bedrag van 430 gulden vermeerderd met een nader vast te stellen interest ter beschikking te stellen aan de gezamenlijke nabestaanden van Samuel van Cleef.”

Dit is volgens het Verbond van Verzekeraars een van de vier claims van een 'joodse polis' die tot nog toe in Nederland zijn gehonoreerd. Anno 1997 lijkt de nalatenschap van mijn grootouders opnieuw definitief te zijn afgehandeld. Ze hebben geen graf, maar volgens goed joods gebruik had daar zullen staan: “Moge hun de beloning der rechtvaardigen deelachtig zijn en moge hun ziel gebundeld worden in de bundel van het Eeuwige leven.”