Historicus is geen journalist

Bastiaan Bommeljé stelt de hedendaagse historici verantwoordelijk voor de geringe interesse bij de jeugd voor de geschiedenis (NRC Handelsblad, 14 oktober). Ik weet niet of dit de universitaire historici verweten kan worden - de jeugd doet zijn indruk over de geschiedenis toch vooral op school en voor de televisie op.

Maar is het wel zo slecht gesteld met die interesse? Dat bijna 50 procent van de jongeren geen enkele belangstelling kan opbrengen voor de geschiedenis betekent alleen maar dat Nederland een geëmancipeerd, kritisch en vooral modern land is.

Moeten we soms jaloers zijn op een land als Griekenland, waar 94 procent zegt belangstelling te hebben voor de geschiedenis, maar waar het vooral zal gaan om een tamelijk benepen nationalistisch-Griekse geschiedenis? Niet het percentage is belangrijk, maar het type geschiedenis waarvoor belangstelling bestaat. Liever 50 procent belangstelling voor een gevarieerd historisch menu - en nergens in Europa is het menu zo gevarieerd als hier - dan de grotere belangstelling voor de beperkte nationale kost die je elders geserveerd krijgt.

Hoe komt het dat de jeugd afhaakt? Dat zou alles te maken hebben met de deplorabele toestand waarin historisch Nederland verkeert, schrijft Bommeljé. Het universitaire historische onderzoek zou levendig en opwindend moeten zijn, maar is momenteel vooral saai en in zichzelf gekeerd. Het zakt langzaam weg “in een mangrovewoud van megalomane onderzoeksscholen, rigide IJkpunten-onderzoek en door niemand gelezen detailstudies”.

Achter de schermen wordt wel hard gevochten, maar daar heeft de buitenwacht geen boodschap aan. Vandaar die desinteresse bij de buitenwacht.

Wat zou Bommeljé dan willen? Ik denk het volgende: een grote groep 'investigative reporters' die spannende verhalen opdist over mensen die het in het verleden niet zo nauw hebben genomen met de moraal, de politieke of economische code, of die de boel gewoon belazerd hebben en toch - ook dat doet het goed - iets groots tot stand hebben gebracht.

Verhalen die het eerst in krant, bijvoegsel of weekblad goed doen en later nog eens in een vlot boekje voor de andere lezers vastgelegd worden. Geschiedenis zoals een journalist die zou schrijven. Ik heb niets tegen journalistiek, een scheutje journalistiek in de geschiedschrijving kan ook zeker geen kwaad. Maar zoals de koffiemelk de koffie niet kan vervangen, kan de journalistiek niet de plaats van de geschiedwetenschap innemen.

Journalistiek is een eerzaam beroep waarvoor je tegenwoordig zelfs op de universiteit kunt studeren. Maar het is een ander vak, met een andere code en een andere rechtvaardiging dan de geschiedwetenschap. Dat vak trekt bovendien mensen met een wat beschouwelijker en relativerender inslag, voor wie de krantenlomom niet het geeigende medium is.

Historici moeten ook dingen kunnen uitzoeken die die het grote publiek niet kunnen interesseren, maar die (zeker op wat langere termijn) wetenschappelijk wel belangrijk zijn. Als Bommeljé zijn zin zou krijgen, zou dat niet meer kunnen.

Maar zou dat niet een ontzettende verschraling van het vak opleveren? Het zou dezelfde eenzijdigheid krijgen als de geschiedenis die het aanvankelijk ietwat opgewonden en lichtelijk rancuneus geschreven Historisch Nieuwsblad ons voorschotelde.

Het debat, de discussie, het rumoer op straat, al die dingen die Bommeljé zo graag zou zien, kunnen niet de plaats innemen van het tijdrovende ambachtelijke werk dat ten grondslag ligt aan menige historische studie. Dat z'n studie dan niet meteen de boekhandel uitvliegt, maar slechts langzaam door het grote lichaam van de historische wetenschap wordt opgenomen mag vanuit het oogpunt van de wetenschap geen bezwaar heten.

Bommeljé lijdt aan het Felix Rottenberg-syndroom. Die adoreerde ook het debat om het debat, maar vergat wel dat politiek iets anders is dan een woordenwisseling in een Amsterdams café.

Discussie is nuttig en aardig, maar zij moet wel ergens over gaan en als de vonken er niet af spatten, zegt dat niets over de levenskracht van de historische wetenschap. Die staat er beter voor dan Bommeljé suggereert.