Haat maakt even blind als liefde

Voorstelling: De Mensenhater van Molière door Toneelgroep De Appel. Vertaling: Laurens Spoor. Decor: André Joosten. Kostuums: Ber van Hirtum. Regie: Aus Greidanus. Spelers: Lou Landré, Hubert Fermin, Sacha Bulthuis, Robert Prager e.a. Gezien: 17/10 Appeltheater, Scheveningen. T/m 21/12 aldaar. Inl.: 070-3502200.

Op een dag wordt een man oud en moe, en dan gaat hij de wereld verachten. Vroeger en het geluk van toen zijn voorbij, de mensheid vervult hem met korzelige walging. Scheldpartijen houden tegen de wereld blijkt de laatste strohalm om af en nu nog iets van heilig vuur te laten flitsen - maar dat heilige vuur is gedoofd en de smaak die achterblijft is die van alsem.

In het openingsbeeld van De Mensenhater (Le Misanthrope, 1666) door Toneelgroep De Appel betreedt Lou Landré in de titelrol voor enkele tellen een lege, weidse salon, opgetrokken uit vurenhouten latjes. De kille vloer heeft de kleur van grijs cement; bij wijze van wanddecoratie hangen er stukken gescheurd papier. Als een tijger die rondom zijn kooi sluipt kiest Landré een stoel die buiten het decor staat. Pas dan kan de dramatische actie beginnen.

Het is een dreigend en trefzeker begin van een voorstelling die tot het einde toe getuigt hoe meeslepend het theater is dat Molière schreef. Daar, buiten de gevestigde wereld, hoort de mensenhater thuis. Hij is geen vrome, huichelende Tartuffe maar een man die ooit zijn eerlijkheid en vertrouwen in de mensheid tot zulke ontzagwekkende hoogten heeft verheven, dat bitterheid en misantropie zijn deel worden. Dat is de paradox die aan dit stuk ten grondslag ligt, afkomstig van een andere Fransman, Chamfort: “Men kan niet veel van de mensen hebben gehouden als men op zijn veertigste geen mensenhater is.” Van gefnuikte liefde naar haat is slechts de kleinst denkbare stap.

Dit onttakelde decor ontneemt ons, de toeschouwers, elke illusie dat de mensenhater ooit weer gaat geloven in zijn medemens. Reden tot zijn hekelende gedrag is het overspel dat de lichtzinnige weduwe Célimène zich veroorlooft, een roddelzieke en versierlustige vrouw op wie de mensenhater Alceste zijn zinnen heeft gezet. Erger keuze had hij niet kunnen maken. Met zijn adoratie voor haar tekent hij zijn grafschrift.

De leegheid van het decor symboliseert de holheid van de wereld om Alceste. Het is alles futiel als van lucifershoutjes. De vertaling is in verzen, van de hand van Laurens Spoor, en het is bewonderenswaardig hoe vooral de hoofdrolspelers Lou Landré, Sacha Bulthuis en Hubert Fermin als Alceste's vriend deze taal kunnen laten klinken. Zij springen achteloos met de rijmen om, en soms, wanneer dat noodzakelijk is, klinkt het rijm met nadruk. Hierdoor ontstaat, ondanks het zingzeggen, een felle dialoogtrant. Ook naar spel is er een intrigerende dubbelheid te onderscheiden. Hoewel de acteurs dicht bij het realisme komen en met een moeiteloze lichtheid hun karakters uitbeelden, heeft de voorstelling tegelijk iets afstandelijks. Regisseur Aus Greidanus laat de toeschouwer enerzijds delen in Alceste's vertwijfeling over hoe het nu zit tussen hem en de wereld, anderzijds benadrukt de regie deze monomanie als een grillige, gevaarlijke en uiteindelijk destructieve geestesgesteldheid.

Er slaat heel wat woede door de aderen van Lou Landré. In een van de hoogtepunten van het stuk maakt hij korte metten met het broddelwerk van een dichter; diezelfde dichter, die verderop zijn rivaal in de liefde zal worden. Landré stijgt boven zichzelf uit in een reeks uitbarstingen, waarbij hij als bijna vanzelf van de grond springt, zo gaat de adrenaline in hem tekeer. Dat buitenproportionele werkt aanstekelijk. Sacha Bulthuis tegenover hem is de koele kokette diva zelve, met een valse oogopslag, zogenaamd naïef bijtend op haar parelketting en, telkens wanneer ze gaat zitten, even haar rok omhoog trekkend langs haar in het zwart gestoken weduwedijen, die heus nog volop bemind worden.

Deze Mensenhater van De Appel is meer dan een komedie over onvrede. De voorstelling laat zien dat haat even blind maakt als liefde, want ook de verlangde liefde is een macht die iemand doet wankelen. Hoe Landré ook wrokt en bokt, de anderen zijn hem telkens voor. Dat is, op onverwachte wijze, de diepste tragiek van dit onweerstaanbare stuk.