Franse filosoof Alain Finkielkraut: 'Ik heb gebeurtenissen nodig om te denken'

In zijn nieuwe boek onder- zoekt Alain Finkielkraut, vertegenwoordiger van een jonge generatie joodse intellectuelen in Frankrijk, de paradox van deze eeuw: hoe kan de liefde voor de mensheid zo in massale wreedheid zijn omgeslagen? De stemming tegen Vichy- ambtenaar Papon vindt hij stuitend: 'Dit is collaboratie die zich tooit met de kleren van verzet en antifascisme'.

Alain Finkielkraut spreekt donderdag 23 okt. om 20u in het Maison Descartes, Vijzelgracht 2A, Amsterdam, inl. 020-622.4936. 'De verloren beschaving', vert. Frans de Haan, uitg. Contact, 160 blz., ƒ 32,90. 'L'Humanité perdue', Éditions du Seuil, Parijs.

De toegang tot het Parijse Café de Flore, waar we met de Franse filosoof Alain Finkielkraut (geb. 1949) hebben afgesproken, wordt door potige bewakers versperd. Er is een modeshow aan de gang en de vele televisiecamera's en gewichtigdoende personen zorgen voor precies die schijnopwinding rondom een media-evenement, die Finkielkraut in zijn geschriften vaak aan de kaak heeft gesteld. Niet dat hij zelf een onbekende is voor een breder publiek - juist gisteren was hij op de televisie in een flits te zien met een standpunt over de legalisering van illegale immigranten. Maar het is nog niet zover dat in Frankrijk een bekende filosoof een modeshow binnenloopt zonder uitnodiging.

Onderweg naar een ander etablissement koopt Finkielkraut vlug Le Monde van vanmiddag. Vluchtig neemt hij de pagina's met nieuws over het proces tegen Maurice Papon door, de hoge ambtenaar van het Vichy-bewind die terechtstaat in Bordeaux omdat hij met grote dienstijver joden op transport stelde. “Laten we daar maar mee beginnen”, zegt Finkielkraut, want hij praat graag over actuele aangelegenheden. Hij is het toonbeeld van de geëngageerde intellectueel. Dat intellectueel engagement heeft een geschiedenis in Frankrijk: het is ontstaan toen eind vorige eeuw schrijvers en denkers in het geweer kwamen tegen het proces-Dreyfus. De joodse officier Dreyfus werd veroordeeld wegens spionage voor de vijand; hoewel hij onschuldig was verhinderde antisemitisme zijn rehabilitatie. Finkielkrauts grote voorbeeld, als essayist, is Charles Péguy (1873-1914), een van Dreyfus' luidste verdedigers en in alle opzichten een non-conformist: tegelijkertijd socialist, katholiek mysticus en bewonderaar van de koloniale veroveringen.

Anders dan veel hedendaagse intellectuelen vindt Finkielkraut niet zonder meer dat het de plicht is van elke schrijver of denker, zijn of haar licht te laten schijnen in het actuele debat. “Misschien is het wel mijn zwakte dat ik gebeurtenissen nodig heb om te denken. Je kunt je heel goed om de wereld bekommeren zonder de storm van het evenement op te zoeken. Maar zelf wil ik die beproeving doorstaan.”

Bijna altijd is Finkielkrauts bijdrage aan het maatschappelijk debat onverwacht en wekt zij weerstanden op. Want anders dan bijvoorbeeld zijn generatiegenoot Bernard-Henri Lévy, al zo'n twintig jaar lang de lievelingsintellectueel van de Franse media, geeft Finkielkraut niet zoveel om wat meestal gezien wordt als de traditionele Franse, verlichte waarden: verheven geloof in de universele geldigheid van gelijkheid, vrijheid, broederschap en de militante verdediging daarvan. Hij is een overtuigd democraat, maar lijkt bij al te algemeen aanvaarde idealen immer door grondig wantrouwen te worden bevangen.

Finkielkrauts jongste boek L'Humanité perdue, dat nu in het Nederlands is verschenen als De verloren beschaving, is een polemisch werk dat de verlichte ideeën waardoor Franse intellectuelen in deze eeuw voortgedreven werden, één voor één tegen het licht houdt en verwerpt - van communisme via existentialisme tot de filosofie achter de internationale humanitaire hulp in crisisgebieden. “Mijn boek behandelt een vreselijke paradox”, zegt Finkielkraut. “Hoe heeft in een eeuw waarin als nooit tevoren de universele mensenliefde werd verkondigd, die liefde in massale wreedheid kunnen omslaan?” Het wordt tijd voor een balans, meent hij: de goede bedoelingen tegenover de werkelijkheid van Auschwitz, de Goelag, de koloniale politiek, ex-Joegoslavië. De balans valt somber uit. “Een nutteloze eeuw”, vraagt hij zich in het laatste hoofdstuk af.

Geen modern idee, of Finkielkraut komt de voosheid achter de schone schijn aantonen. In Le nouveau désordre amoureux (1979, zijn eerste boek) ging het om de zegeningen van de seksuele revolutie: niks geen vrijheid, een nieuwe benauwende moraal, meende Finkielkraut. Komt er in Frankrijk eindelijk een oorlogsmisdadiger van betekenis, Klaus Barbie, voor de rechter? Finkielkraut schrijft een boek (La mémoire vaine, 1989) waarin hij aantoont dat het proces een loos mediaspektakel is dat de nagedachtenis van de vermoorde joden meer kwaad dan goed doet. Ontsteekt intellectueel Frankrijk in afschuw over dat achterlijke nationalisme, dat in Joegoslavië leidt tot ondoorgrondelijke en uitzichtloze stammenstrijd? Finkielkraut reist naar Zagreb om de Kroaten in hun onafhankelijkheidsstreven te steunen en schrijft daarover hoogst polemische artikelen (verzameld in Comment peut-on être Croate?, 1992).

Toch is hij geen schrijver van louter gelegenheidswerken of iemand die van geval tot geval bekijkt hoe hij het handigst advocaat van de duivel kan spelen. Er is wel degelijk sprake van een coherente denkwereld, en De verloren beschaving kan gelden als een staalkaart van thema's die ook in eerder werk terugkwamen.

Het betoog begint ver terug. In de bijbel stelt God de norm voor de gelijkheid van alle mensen: voor de enige, eeuwige God zijn alle mensen gelijk. De verkondiging van de gelijkheid van alle mensen is ook de zin van de monotheïstische leer van het jodendom, zegt Finkielkraut een van zijn leermeesters, de Franse filosoof Emmanuel Levinas (1905-1995) na.

De bijbelse gelijkheidsidee gaat echter verloren op het moment dat de filosofie haar intrede doet, die de dingen niet aan de goddelijke openbaring toetst, maar aan de Rede. De Rede deelt in, analyseert, klassificeert, niet alleen dingen maar ook mensen. Vanaf het moment dat het goddelijk dak van de ordening van de wereld is verdwenen, verdween ook de perceptie van de mensheid als eenheid. Daarmee werd de deur geopend voor de vernietiging van anderen, minderen, ongewensten.

Die bijbelse verwijzingen lijken een zeer theologisch, welhaast mystiek uitgangspunt voor een ideologiekritiek van de twintigste eeuw, maar zo is het niet bedoeld, zegt de auteur. “Ik ben ook niet gelovig, God heeft ons moderne mensen verlaten. Het gaat me alleen om de omschrijving van een inmiddels verloren gegane visie op de gelijkheid van alle mensen. Zoals de heilige Paulus zei: er zijn joden noch Grieken, mannen noch vrouwen, meesters noch slaven - voor de Eeuwige zijn allen gelijk.”

Pogingen in onze eeuw om de menselijkheid opnieuw te proclameren binnen een bepaalde ideologie of wereldbeeld, bleven en blijven voos, betoogt Finkielkraut in De verloren beschaving. Hij richt zijn pijlen in vele richtingen: het nazisme, Sartre's existentialisme, het communisme, de vrome veroordeling in het Westen van álle nationalismen in de Joegoslavische oorlog, de zoetsappige ideologie van het moderne internationale liefdadigheidswezen dat zegt niet meer in de merites van strijdende partijen, maar nog slechts in de lijdende mens geïnteresseerd te zijn. Finkielkraut ontmaskert en verwerpt deze ideologieën waarin steeds de menselijke verscheidenheid het moet ontgelden ten gunste van schijnbaar universele principes.

Finkielkrauts laatste mikpunt in de rij vormen 'de engelachtige zakenlieden' die zich thans opmaken de wereld te veranderen in één grote, bedrijvige wereldsamenleving vol communicatiemiddelen en reismogelijkheden. Zij zetten een nieuw offensief in tegen wat Finkielkraut lijkt te beschouwen als een van de weinige lichtpuntjes in de geschiedenis der mensheid: het bestaan en herleven van nationale gevoelens in vele delen van de wereld.

Dit laatste idee heeft hij concreet vorm willen geven door in het openbaar de Kroatische afscheiding van ex-Joegoslavië te steunen - soms met kritiek op de daden van Kroatische politici en militairen, maar wel consequent. “Het gaat niet aan om de onzinnige daden van de Kroatische president Tudjman het Kroatische volk in zijn geheel in de schoenen te schuiven. Ik denk trouwens dat er aan de Kroatische kant veel minder misdaden zouden hebben plaatsgehad in de oorlog, wanneer Europa de Kroaten vanaf het begin zou hebben bijgestaan in hun volstrekt gerechtvaardigde wens tot onafhankelijkheid. In plaats daarvan heeft men toegestaan dat de Kroatische stad Vukovar met de grond gelijk werd gemaakt.

“Ik zeg niet dat we tot elke prijs hadden moeten interveniëren in Joegoslavië. Democratieën hebben het nu eenmaal moeilijk met het voeren van oorlog: ze berusten zozeer op respect voor het leven van elk individu, dat je dus niet zomaar een oorlog in kunt sturen. Door haar aard is de democratie, kun je zeggen, steeds tot steeds nieuwe 'Münchens' (het akkoord waarbij in 1936 delen van Tsjechoslowakije aan Hitler werden afgestaan, red.) geneigd. De democratie streeft eerder naar het compromis dan naar de confrontatie.

“Wat mij echter geschokt heeft, is het onbegrip dat de Europese houding tegenover het Kroatische streven naar onafhankelijkheid kenmerkte, de afkeer van álle vormen van nationalisme. Alsof dat een van de lessen van de twintigste eeuw zou zijn: dat elk gevoel van 'in je eigen huis zijn' de basis zou vormen voor manifestaties van onmenselijkheid. Ik constateer evenwel dat een individu slechts met heel grote schade kan worden gescheiden van zijn eigen identiteit. De mens is meer dan een volstrekt inwisselbaar exemplaar van zijn soort. Iemand zijn eigen identiteit willen ontzeggen is op zichzelf al een manifestatie van onmenselijkheid.

“Deze afkeer van elke uiting van nationaal gevoel heeft het merendeel van de Europeanen verhinderd te begrijpen wat er in ex-Joegoslavië op het spel stond. En dat heeft ook weer tot onmenselijke daden geleid. Want Vukovar - waar de Serviërs ongestraft hun gang konden gaan - was nog maar een voorspel voor Sarajevo.”

Tot soortgelijke resultaten, vindt Finkielkraut, voert de filosofie die hij het 'humanitarisme' noemt - de moderne opvatting dat de menselijkheid tot uitdrukking kan komen in humanitaire hulp aan álle slachtoffers in conflicten, ongeacht het kamp waartoe zij behoren. “Ik geef toe dat dit een vooruitgang is vergeleken met eerdere opvattingen dat je onderscheid moet maken tussen rechtse slachtoffers en linkse slachtoffers”, zegt Finkielkraut. Maar wederom verwijst hij naar de oorlog in ex-Joegoslavië, waar de internationale humanitaire zorg voor Europa mede als argument diende om niet politiek of militair ten gunste van iets of iemand te hoeven ingrijpen. “Het humanitarisme is heel wat minder moreel hoogstaand, dan op het eerste gezicht lijkt.”

Finkielkrauts warme verdediging van het Kroatische kamp in de oorlog in ex-Joegoslavië heeft met name in het georganiseerde jodendom in Frankrijk nogal wat wenkbrauwen doen fronsen. Het Kroatische nationalisme wordt daar bij uitstek geïdentificeerd met het Kroatische fascisme in de Tweede Wereldoorlog. Wel een opmerkelijk standpunt dus voor een Franse filosoof die, in de jaren tachtig, gold als een vertegenwoordiger van een nieuwe generatie joodse intellectuelen. Zij wilden met geheven hoofd de joodse eigenheid en traditie niet meer als een museumstuk wegmoffelen en in een halfhartige assimilatie ondergaan, maar wilden het joodse erfdeel actief beleven in combinatie met daadwerkelijke emancipatie.

Zelf zwakt Finkielkraut deze reputatie desgevraagd af. “Ik ben geen vaandeldrager van de joodse zaak. Niemand heeft het recht om uit naam van de joodse gemeenschap te spreken, ook niet die advocaat die op het proces tegen Papon deze week protesteerde uit naam van de Franse joden, omdat de verdachte juist op Yom Kippoer (een joodse feestdag, red.) werd vrijgelaten. En vooral heeft niemand het recht om uit naam van de doden te spreken.”

Al eerder was hij steeds verder van het georganiseerde jodendom verwijderd geraakt, vindt hij, bijvoorbeeld in zijn opstelling ten aanzien van de actuele Israelische politiek. “Ik heb niets meer gemeen met wat Netanyahu vandaag de dag zegt en doet. Die man is geen jood, maar een bewoner van de wereld van CNN die in de Negev is gedropt. Hij wil het fundamentalisme onder de Palestijnen tot bloei laten komen, om de Israeliërs te tonen dat ze geen keus hebben dan zijn eigen politiek. Israel was vroeger ook een beetje mijn wereld. Nu voel ik mij geheel en al buitenstaander.”

Finkielkraut spreekt vlug en stellig, en naar het schijnt zonder de omgeving in zich op te nemen. Er gebeurt inmiddels veel rondom het terras waarop we onder een straalkacheltje hebben plaats genomen: een kolonne oproerpolitie komt voorbij met blauwe zwaailichten en loeiende sirenes, die de filosoof nopen af en toe zijn stem te verheffen. In de verte is het geluid van spreekkoren hoorbaar: een betoging die zich richt tegen het nieuwe wetsontwerp voor de regularisering van illegale vreemdelingen in Frankrijk.

Begin dit jaar leidde de vreemdelingenwet van de toenmalige rechtse regering tot grootscheepse petities onder intellectuelen. Daarbij vielen beschuldigingen van toegeeflijkheid aan het fascisme van het extreem-rechtse Front National van Jean-Marie Le Pen en werd legalisering van álle illegale vreemdelingen in Frankrijk geëist. Nu dreigt het wetsontwerp van de huidige, linkse regering eenzelfde lot ten deel te vallen. Met name het feit dat legalisering van vreemdelingen aan bepaalde criteria is gebonden, en legalisatie van allen dus uitblijft, inspireert alweer nieuwe intellectuele manifesten, waartoe net als de vorige maal Franse cineasten het voortouw nemen.

Op Finkielkrauts handtekening hoeft men in dezen niet te rekenen, zegt hij, wanneer het oogmerk van de kleine maar luide betoging hem eenmaal duidelijk is geworden. “Ik vind de wet zoals hij nu is voorgesteld redelijk en humaan. Niemand kan toch in ernst voorstellen om alle vreemdelingen maar te legaliseren, zodat de immigratiestroom geheel oncontroleerbaar wordt. Het lijkt me heel verstandig van Jospin (de huidige linkse premier, red.) om deze zaak zo te regelen en op die manier Le Pen de wind uit de zeilen te nemen.

“Maar dat zijn praktische overwegingen. De intellectuelen die nu ook de linkse regering van fascisme beschuldigen, bekommeren zich daar niet om. Zij willen niet nuttig zijn, zij willen zichzelf alleen maar mooi vinden als ze 's ochtends in de spiegel kijken. Het is het oude liedje: linkse intellectuelen verpakken hun afkeer van de burgerlijke samenleving, van de democratie als antifascisme. “Wat me in deze acties zeer verontrust, is de groeiende kloof tussen wat het volk denkt, en de inzichten van de elite. In een zaak als het vreemdelingenbeleid denkt het volk rationeel: je kunt de toevloed van vreemdelingen niet zomaar op zijn beloop laten. De elite, in dit geval intellectuelen, zweven daarentegen ergens boven de aarde. Er is een tijd geweest in de geschiedenis, dat de elite van dit land het volk verachtte omdat het volk revolutionair was. Nu is het andersom: de elite is revolutionair en veracht het volk omdat het reactionair zou zijn.”

Finkielkraut stond vanaf het begin nogal sceptisch tegenover het proces tegen de 87-jarige Papon, zegt hij. “Hoe kan men in een proces, dat toch de vorm van een debat met hoor en wederhoor hoort te hebben, oordelen over iemand van wie geen tijdgenoten meer in leven zijn? Papons ondergeschikten als prefect onder Vichy, zijn vijanden, de verzetsstrijders die hij beweert geholpen te hebben - ze zijn allemaal dood. Een historicus kan onder die omstandigheden wellicht een oordeel vellen, maar een rechter?”

Nadat op de eerste procesdag Papon uit voorarrest werd vrijgelaten stak in Frankrijk een storm van verontwaardiging op. Hoteleigenaren rondom Bordeaux weigerden de verdachte kamers, burgemeesters van plattelandsgemeenten verklaarden dat Papon op hun grondgebied niet welkom was. Advocaat Arno Klarsfeld, die op het proces namens de slachtoffers optreedt, brieste in een televisiejournaal dat Papon weliswaar door de rechters mocht zijn vrijgelaten, maar door het volk allang was veroordeeld. Deze houding komt Finkielkraut verachtelijk voor. “Tegenover de in de rechtszaal gebruikelijke veronderstelling dat de verdachte onschuldig is totdat het tegendeel wordt bewezen, stelt Klarsfeld een soort virtuele veroordeling door het volk. Dat betekent dat degenen die hij vertegenwoordigt, eigenlijk helemaal niet meer geïnteresseerd zijn in dat proces. Met als voorwendsel de ernst van de ten laste gelegde feiten, willen zij rechtspraak zonder de vormen van de rechtspraak: een lynchpartij, met andere woorden.

“Deze verbetenheid is niet alleen stom, maar ook onmenselijk. Zij gaat me des temeer aan het hart omdat ik zelf jood ben, en dat dit soort debiele dingen naar voren worden gebracht door mensen die zeggen 'uit naam van de joden' te spreken.” Deze verbetenheid onderscheidt zich in niets van de geest van collaboratie die Papon ertoe bracht de jodendeportaties te organiseren, meent Finkielkraut. “Dit is precies diezelfde trots waarmee de kant van de sterksten wordt gekozen, die van de overwinnaars. Het is stuitend om te zien: collaboratie, die zich tooit met de kleren van verzet en antifascisme. Het is een farce.”