Eigen gezicht

DE DIRECTEUR van de basisschool, die we voor het gemak Jaap zullen noemen, lag overhoop met zijn bestuur. Dat bestuur was een gemeentelijke afdeling Onderwijs die verantwoordelijk was voor het reilen en zeilen van een tiental scholen, waaronder dus die van Jaap.

Zoals overal in het basisonderwijs zag je ook in die gemeente dat de ene school succesvoller was dan de andere. Nu hoeft de op- of neergang van een school niet per se het gevolg te zijn van kwaliteit. Een buurt kan veranderen, er kan bijgebouwd of gesloopt worden, een buurt kan verjongen of vergrijzen, kortom een school is een speelbal van factoren waar je als directeur lang niet altijd greep op hebt. Dat het uitnemend ging met de school hoefde dus niet de verdienste te zijn van Jaap en zijn team, maar het feit dat de leerlingen van heinde en verre naar zijn school toekwamen, bewees dat het succes wel degelijk te maken had met zijn aanpak. Die aanpak kenmerkte zich door veel individueel werken.

Leraren die op andere, slecht lopende scholen overbodig waren, werden door het bestuur overgeplaatst naar de school van Jaap. Waarom nu lag Jaap met zijn bestuur overhoop? Omdat hij de leraren die hij kreeg toegewezen niet in alle gevallen zo ver kreeg dat ze in zijn systeem konden of wilden functioneren. Het meest droeve voorbeeld was een leraar die decennia lang klassikaal had lesgegeven en niet achter zijn lessenaar vandaan bleek te branden. Volstrekt ongeschikt dus voor de werkwijze waar Jaap en zijn school zoveel succes mee hadden.

Hiermee kom je bij de wortels van veel van onze onderwijsproblematiek. Niets biedt in het onderwijs zoveel zekerheid als te blijven zitten waar je zit. Als directeur heb je het personeel dus niet voor het uitkiezen: als je school bloeit en dus groeit, krijg je wie elders te veel is, en de leraar die niet past in je systeem krijg je nooit weg. Het gevolg hiervan is dat het voor een directeur haast onmogelijk is een school onderwijskundig te ontwikkelen.

Veel leraren zitten dus op de verkeerde plek. Dit is des te erger omdat het met de vele part-timers in de school extra van belang is dat iedereen dezelfde didactische uitgangspunten hanteert. Vroeger was sprake van een zekere continuïteit omdat leerlingen een jaar lang les hadden van meneer X. Nu hebben ze les van een duo dat bovendien ook nog zwangerschap, adv en scholing heeft. De enige full-timers op mijn school zijn de leerlingen, zo hoorde ik onlangs een directeur verzuchten.

Continuïteit dient nu dus gevonden te worden in een bepaalde didactische aanpak. Ook wat die aanpak betreft, was vroeger veel minder dan nu sprake van diversiteit. Je had een beperkt aantal duidelijk omschreven, afwijkende systemen, zoals die van mevrouw Montessori of mijnheer Steiner, maar daarbuiten overal dezelfde klassieke, klassikale aanpak. Inmiddels zie je dan scholen, weinig gehinderd door dogma's, kiezen voor die principes die in hun situatie goed blijken te voldoen. Zo ontwikkelt een school in de loop der jaren, als het goed is, een eigen gezicht met veel eigen materiaal, en daar horen uiteraard mensen bij die daarin (willen) passen.

Was Jaap een voetbaltrainer geweest die met zijn club succes had en van heinde en verre toeschouwers trok, dan had zijn bestuur ongetwijfeld zijn medewerking verleend als Jaap een speler kwijt had gewild omdat die niet paste in zijn systeem. Aan de andere kant moet Jaap, vind ik, er begrip voor opbrengen dat we uitgangspunten die we voor voetbal normaal vinden, toch moeilijk kunnen hanteren waar het gaat om iets zo onbelangrijks als onderwijs.