Een hoogst eetbare vogel; Helmparelhoen moet jachtdruk op wilde dieren verminderen

IN AFRIKAANSE natuurparken is een groeiende wetenschappelijke aandacht voor een weinig spectaculaire bewoner: het helmparelhoen (Numidia meleagris). Parelhoen- en olifantonderzoekers lopen elkaar tegenwoordig zelfs op de savanne af en toe voor de voeten: dieren van beide soorten zijn van zenders voorzien, en die blijken met hun signalen verwarrend genoeg op dezelfde golflengte te zitten.

De aandacht voor de parelhoenders groeit snel omdat het grootschalig consumeren van vlees van wilde dieren een natuurbeschermingsprobleem voor Afrika is geworden. Plaatselijk dreigen er heel wat diersoorten aan te gronde te gaan. Als het aan natuurbeschermers ligt moet N. meleagris de jachtdruk deels gaan ondervangen. “Omdat het eten van wilde dieren, ook die in beschermd gebied, niet volledig gestopt kan worden, is het belangrijk een manier te vinden om zulk gebruik duurzaam te maken. Bijvoorbeeld in de vorm van een gereguleerde jachtregeling voor dorpen vlakbij beschermd natuurgebied. Het parelhoen komt hier van pas. De hoogst eetbare vogel zou de druk op zeldzamer diersoorten kunnen verminderen”, zegt de Kameroense bioloog Hanson Langmia Njiforti, die kortgeleden aan de Landbouwuniversiteit Wageningen promoveerde op een proefschrift over leefwijze en beheer van het helmparelhoen in het natuurpark Waza in Kameroen.

Naast zeldzamer soorten parelhoenders komt het helmparelhoen in praktisch heel Afrika met verschillende ondersoorten voor, in flinke troepen van enkele tientallen tot honderd dieren. Over de precieze leefwijze in het wild van deze vaak in gevangenschap gehouden vogel was weinig bekend. Het onderzoek bracht daar verandering in, zij het met de nodige tegenslag. Zo werden de dieren met veel geduld volledig vertrouwd gemaakt met de begeleidende terreinwagen. Toen die vervangen werd, bleken geluid en uiterlijk van de opvolger de parelhoenders met nieuwe argwaan te vervullen; de vluchtafstand werd weer groot.

Het helmparelhoen is een ware alleseter, zo bleek uit onderzoek aan de kropinhoud. Njiforti: “Ze voeden zich met zaden, wortels en insecten, in het bijzonder met termieten en de wortelstokken van het meerjarige gras Stylochiton lancifolius. Dat gras slaat in de natte tijd veel vocht op in zijn wortelstokken, waarvan de dieren in de langdurige droge perioden profiteren.”

De opbrengst aan nageslacht was soms relatief mager. De hoenders kregen te maken met veel dramatische lotgevallen, tot en met overstroming van hun nest of vertrapping daarvan door olifanten. “Dat, en predatie op eieren en hennen, waren belangrijke oorzaken van nestverlies. Maar in het totale broedsucces spelen ze toch een ondergeschikte rol: de jaarlijkse hoeveelheid regen is belangrijker.”

Bovendien bleken de dieren geen bijster goede moeders. “Heel slechte zelfs”, aldus Njiforti. “Er is wel gesuggereerd dat ze daarom juist zoveel jongen krijgen, ter compensatie. Ze beginnen met tot in de twintig jongen per legsel, maar er blijven er maar een paar over die de slechte verzorging overleven.” Verder zijn de parelhoenders volgens Njiforti wel slimmer dan vaak gedacht. “Op het eerste gezicht lijken ze erg sloom. Pas als je ze probeert te vangen kom je erachter dat het anders ligt. Maar ze staan hoog bovenaan de lijst van dieren die door plaatselijke gemeenschappen worden bejaagd en gegeten. De dichtheid gaat tot tweehonderd dieren per vierkante kilometer, afhankelijk van het type habitat en menselijke bewoning.”

Het proefschrift van Njiforti bevat het nodige gecijfer met mogelijke jachtquota. Die koppelde hij aan sociaal-economische gegevens. Hiermee stelde hij een afsluitend voorstel op voor een jachtzone waar de dorpelingen het hoen kunnen beheren en bejagen. Of de druk op de overige diersoorten werkelijk zal afnemen, blijft de vraag. Beheer van natuur door plaatselijke bewoners, die bijvoorbeeld de eigen jacht reguleren, wordt nogal eens als een nieuwe oplossing gezien binnen de natuurbeschermingswetenschap. Maar die aanpak heeft naast successen ook al de nodige mislukkingen opgeleverd, vooral door het achterwege blijven van toezicht.

Njiforti vindt dat je er nog niet bent als je de plaatselijke bevolking beheer en jachtrechten in handen geeft. “Mogelijk moet het worden aangevuld met andere beleidsmaatregelen. Niettemin zijn plaatselijke gemeenschappen in Afrika soms minder schadelijk voor hun omgeving dan sommige wetenschappers beweren. Als alle plaatselijke gemeenschappen werkelijk een gevaar betekenden voor hun omgeving, zouden we nu geen natuurlijke hulpbronnen meer over hebben om in Afrika beschermde gebieden te creëren.”