Doodsnood

We wilden als medisch onderzoekers eens een kleine ingreep op een kadaver doen, als chirurgisch-technische proef.

“Maar daarvoor zijn er te weinig lichamen van mensen die zich ter beschikking van de wetenschap hebben gesteld”, kreeg ik te horen.

“Dan stel ik mijzelf beschikbaar, na mijn dood kun je me krijgen, maar geven jullie ons dan wel de gelegenheid om nu alvast een proefoperatie op een stoffelijk overschot te doen?”

“Ja natuurlijk, we willen je graag hebben, als je dood bent”, was het verheugde antwoord.

“Daar hou ik jullie aan”, reageerde ik blij verrast.

Samen met mijn vriendin, dat ging in een moeite door, heb ik toen mijn lichaam ter beschikking gesteld van het anatomisch lab van de Medische Faculteit in Groningen. Ik herinner me dat er bij het codicil en de kopie die ik ook moest ondertekenen en opsturen, een brief zat van de anatoom prof.dr. A.G. de Wilde, die schreef dat er in de wetenschap en het onderwijs grote behoefte was aan stoffelijke overschotten, vooral van jonge mensen. In het slot van de brief wenste hij me nog een lang en gezond leven toe. Toen de gortdroge humor tot me doordrong, kreeg ik de slappe lach, het tegendeel van lijkenstijfheid. Helaas, de listige bedoeling was natuurlijk geweest dat ik me had doodgelachen.

Ik kreeg de toezegging dat, als er na mijn overlijden in het anatomisch lab een tekort aan kadavers zou bestaan, ik daar afgeleverd kon worden, maar dat het lab mijn laatste reis niet zou vergoeden. Ik zou niet weten en waar en óf ik dat codicil en die brief heb: dat soort bescheiden berg je zo zorgvuldig op, dat, als jij of een ander ze zoekt, ze onvindbaar zijn.

Cremeren, of begraven, bedraagt nu, alles inbegrepen - via en volgens de AVVL, (Algemene Vereniging Voor Lijkverbranding) - op zijn minst ƒ 3920,-. Dat zijn rekeningen die je niet zelf hoeft te betalen, toch jaag ik mijn dierbaren liever niet onnodig op kosten.

Daarnaast ben ik orgaandonor. Maar, zo bleek uit navraag, de wereld van de anatomie en die van het doneren zijn geheel van elkaar gescheiden. Je lichaam ter beschikking stellen van de wetenschap en het doneren van je organen en weefsels sluit elkaar uit. Dat zegt de wet. Je kunt niet eerst je ogen doneren, en dan zorgen dat je stoffelijk overschot naar de snijzaal gaat - of andersom - al is dat technisch en organisatorisch, letterlijk en figuurlijk, een koud kunstje.

Het zou toch voor een toekomstige arts leerzaam zijn met donatie-problematiek in aanraking te komen door ad oculos en eigenhandig een lichaam te ontleden, waar één of meer organen vakkundig zijn uit genomen? Het donatie-vraagstuk en de donatie-vraag worden in het medische onderwijs toch al schromelijk verwaarloosd.

Zou die muur tussen de wereld van het anatomische onderwijs en die van de orgaandonaties nu niet geslecht kunnen worden? Ik weet het, dat staat de wet niet toe, maar die is te veranderen. Een wetswijziging duurt jaren, maar hoe langer iets duurt, hoe eerder je moet beginnen.

In de Groninger snijzaal - net als in Bologna - hing ooit de onverzinbare spreuk: Hic locus est ubi mors gaudet succurrere vitae (Dit is de plaats waar de dood zich verheugt het leven te hulp te snellen). Maar we kunnen als levenden toch ook de levenden te hulp snellen, door juridisch en praktisch het schenken van lichaam en organen ook in combinatie toe te staan? Want mensen die hun lichaam ter beschikking stellen zullen, als dat mag en kan, hun organen ook graag doneren, en andersom ook wel eens, denk ik. En op lichamen voor snijden en organen en weefsels voor de kliniek moeten we zuinig zijn. Op 1 juli jongstleden wachtten er in het Eurotransplantgebied (Benelux, Duitsland en Oostenrijk) op een nier: 11.075, een hart: 724, hart-longen 69, een long: 196, een lever: 342, nier-pancreas: 102, een hoornvlies: 694, op bot: 60 en op hartkleppen: 23 patiënten. Kunnen we de juridische muur, die is opgetrokken tussen onze snijzalen en de transplantatie-wereld, niet slopen? De één zijn dood, is de ander zijn nood.