Dominante mezen mijden de schemering en leven langer

Afhankelijk van de bedreiging door roofdieren passen dieren hun gedrag aan. Zelfs onder vrolijk door boomkruinen tuimelende mezen is de indirecte strijd bikkelhard.

In sociaal opzicht ondergeschikte dieren wordt door hun meerderen regelmatig de toegang tot voedsel ontzegd. En na een aanval door een roofdier voelen de (hongerige) ondergeschikte dieren zich eerder gedwongen de dekking te verlaten dan welgedaner groepsgenoten. Het kamp van ondergeschikte dieren gaat dan ook gebukt onder hogere sterfte, zo is eerder aangetoond bij mezen en andere zangvogels die 's winters in groepen rondtrekken. Finse onderzoekers voegen aan dat beeld nu iets toe: de schemerfactor (Behaviour 134, 921-939).

Lange schemerperioden betekenen voor vogels die overdag actief zijn een verhoogd risico. Hun gezichtsvermogen is maar matig aangepast aan schemering, terwijl het verkeer van jagende roofdieren dan z'n piekuur bereikt. Matkopmezen (Parus montanus) die in Finland werden onderzocht geven aan dat de risico's reëel zijn. Matkoppen zoeken 's winters voedsel in clubjes met een duidelijke rangorde. Biologen van de universiteit van Oulu hielden in gevarieerd bosgebied bij wanneer de leden van zulke groepjes hun vaste slaapplaats opzochten en weer verlieten. De gemiddelde matkop begon een halfuur na zonsondergang aan de nachtrust, terwijl de vroegste vogels al veertig minuten voor zonsopgang actief waren. De ondergeschikte dieren hadden een relatief lange werkdag. Om ondanks de sociale pressie voldoende voedsel binnen te krijgen, waren zij gedurende de korte winterdagen ook in de schemerperioden actief, vaak in alle eenzaamheid rondscharrelend. Al in de vroege winter staken de dominante dieren daar wat lui bij af: zij begonnen tot een half uur later aan de dagelijkse zoektocht naar voedsel en zij zochten ook weer eerder de slaapplaats op.

Het volgende broedseizoen bleken ze daar niet slecht aan te hebben gedaan. Veel meer ondergeschikte dan dominante dieren bleken vermist, 'vermoedelijk gestorven', vermelden de onderzoekers. Juist die verdwenen dieren hadden de langste dagen gedraaid. De biologen denken dat een flink deel in het halfdonker in de klauwen viel van de overdag actieve dwerguil (Glaucidium passerinum) en van andere, 's nachts jagende uilen die ook in de schemering trefzeker zijn.