De onvrijwillige civilisatie van de Israelische bedoeïenen; Ze vinden ons niet modern genoeg

Waar moeten de Israelische bedoeïenen heen? De regering wil ze uit de Negev-woestijn hebben en bouwt speciaal dorpen voor ze, 'van alle moderne gemakken voorzien'. Maar de woestijn hoort bij de bedoeïenen, dat 'staat in ons hart geschreven en we zullen het onze kinderen inprenten', zegt Nuri el Uqbi, voorvechter van de bedoeïenenrechten. Een reportage tussen traditie en moderniteit, tussen GSM en bloedwraak.

Dít is diefstal”, roept Abed Abu Kaf en hij wijst naar een grote kuil met een paar stenen. “Hier stond mijn huis.” Uit angst voor de Israelische bulldozers en een geldboete of gevangenisstraf heeft Abed zijn huis afgebroken, na een bevel van de rechtbank. “We hebben een tijd bij m'n moeder geslapen”, en hij wijst naar een tent. Tenten zijn legaal want ze zijn niet in de grond bevestigd en hebben geen beton en zinken plafonds. “In die tent ben ik geboren, zonder hoop, maar in Tel Aviv zou ik doodgaan. Zelfs in Beersheva zou ik niet kunnen wonen. “Daarom ben ik meteen aan een nieuw huis begonnen”, zegt hij.

Hij loopt rustig met zijn GSM in de hand door de trillende hitte over het kurkdroge zand naar z'n woning. Hij tilt de dekens die de betonnen muren bedekken. “M'n vierde illegale huis, op mijn land, ik word gedwongen een dief te zijn. Ik heb dekens voor de muren gehangen zodat ze denken dat het een tent is”, zegt hij. “Ze willen ons moderniseren, maar ik bèn modern, m'n kinderen gaan naar school, ik werk in Beersheva, we gebruiken de ijskast van de buren en ik zie er modern uit”, zegt hij wijzend naar z'n gebleekte, blauwe bandplooibroek, z'n onbedekte hoofd en sandalen. “We hebben ook een verjaardag” voegt hij er nog aan toe. “M'n moeder niet omdat iedereen die is geboren vóór 1948, niet is geregistreerd”. Hij laat haar identiteitskaart zien, die elke bedoeïnen na Israels onafhankelijkheid in 1948 kreeg. Vóór het jaartal 1931 staan twee streepjes.

In 1948 kregen de bedoeïenen de Israelische nationaliteit. “Joden hebben ons land afgenomen tijdens de onafhankelijkheidsoorlog, voor een legeroefening. Wie niet het land uitvluchtte, moest alles in legertrucks laden en werd tussen Beersheva en Arad afgezet in de sijaadj, de 'omheining'. Voor een half jaar, zeiden ze. Dat is nu een halve eeuw.”

In 1953 verklaarde het militaire bewind via de Wet op Landverwerving dat de staat bezit kon nemen van braakliggend land. De bedoeïenen waren voortaan wettelijk 'afwezigen'. Ten noordoosten van Beersheva richtte de Israelische regering dorpen in, om de bedoeïenen te huisvesten en op weg te helpen naar de moderne tijd. Na de Zesdaagse Oorlog in 1967 werd de systematiek van de concentratie in de woonsteden duidelijk, zegt Abed Abu Kaf. “Óns land is nu Israelische staatsgrond. Akkoord, maar geef mij mijn deel. Maar Israel zegt 'wat van mij is, is van mij, en wat van jou is, is ook van mij'.” De meest revolutionaire maatregel is de financiële hulp aan joden die in de Negev een boerderij beginnen. Avigdor Lieberman, hoofd van het kabinet van premier Netanyahu, zei onlangs in de Israelische krant Haarets: “Joodse privé-initiatieven moeten grote stukken grond beschermen tegen diefstal van land door arabieren en bedoeïenen”.

In 1979 is de Vereniging voor Steun en van de Bedoeïenenrechten opgericht. Van de 80.000 bedoeïenen in de Negev wonen er 45.000 nog in illegale dorpen en de regering wil de overigen zo snel mogelijk, via de woondorpen, de eenentwintigste eeuw inloodsen. Wonen in een tent is verleden tijd, leven onder een dak brengt geluk en gemak.

Volgens het plan 'Israel 2020', is het land in dat jaar één van de dichtst bevolke landen ter wereld, de Negev uitgezonderd. Voor deze woestijn - 50 procent van de totale oppervlakte van Israel - heeft Ariël Sharon het plan 'Negev 2020' bedacht. Alle 45.000 bedoeïenen - 24 procent van de totale bevolking in de Negev en 1 procent van de totale Israelische bevolking - die nu in illegale nederzettingen in tenten wonen, moeten in 2020 in de zeven nieuwe woondorpen rondom Beersheva wonen. Daar worden scholen, ziekenhuizen, en winkelcentra neergezet en daar, belooft de regering zal werkgelegenheid zijn. De bedoeïenen kunnen er één dunam grond kopen, een huis bouwen en vee houden. Elke stam wordt gescheiden door wegen en met gezinsuitbreiding is rekening gehouden.

Lieberman heeft onlangs de bevoegdheden van de Groene Patrouille uitgebreid om 'weigerachtige' stammen tot vertrek te dwingen. Toenmalig minister Sharon heeft in 1977 de Patrouille opgericht als een soort veldwacht: dertigers die in een jeep door de Negev rijden, beslag leggen op gewassen en vee, huizen afbreken en de bezittingen verhuizen.

Mes en sluier

De schizofrenie van het bedoeïenenbestaan wordt nog het meest gesymboliseerd in de zeven woondorpen. De meesten hebben naast hun huis, dat nog niet af is, een tent gebouwd en geiten en schapen staan op het 'erf'. Er zijn gemiddeld twee klinieken en zes artsen, een paar moskeeën, wegen zijn niet of nauwelijks bestraat of verlicht en nergens is een tuin of een park. Veel bedoeïenen moesten in 1980 verhuizen naar woondorpen, omdat de regering ten noorden van Beersheva het vliegveld Netivot wilde aanleggen. De meesten wilden niet, uit angst voor het verval van de traditionele stamverbanden, omdat ze twijfelden aan de beloofde voorzieningen en omdat ze hun eis tot teruggave van hun oorspronkelijke land niet wilden opgeven.

Op een breekbaar koord balanceren de bedoeïenen tussen hun traditie en de moderniteit. Tussen de nomadische afkomst - gesymboliseerd door het met trots gedragen mes en de sluier - en schaarsgeklede, hooggehakte vrouwen. Met een GSM in de hand begeven veel bedoeïenen zich dagelijks van hun tent of stad naar hun werk in Beersheva. 's Avonds keren ze terug naar de stam in het woondorp waar criminaliteit en werkeloosheid is, en waar eergevoel en bloedwraak het van het moderne leven winnen.

De stam van Abed legt het bevel te vertrekken naast zich neer. In de langgerekte lege woonkamer, waar een woestijnbries waait, liggen vijf kinderen met vlassig haar en zwarte nageltjes op kleden cola te drinken en te zappen tussen de wandtapijten, geglazuurde zwanen en kunstbloemen. Ze hebben vakantie. Als er in de stilte een auto aankomt schrikken ze, het kan de politie zijn. In de keuken, een oud huisje van zachtboard, platgeslagen olievaten, golfijzer en aan elkaar genaaide jutezakken, staan op een soort aanrecht een tweepits gasstel, ijzeren bakken, een roetzwart koffie- en theekannetje en een emmer met suiker. Er is geen bestek. Een stapel matrassen ligt tegen een linnenkast waar Abed een camera uithaalt. Aan de 'muur' hangen foto's van stamleden die trots in de camera kijken of het land bewerken.

“De regering noemt dit een illegaal huis, maar het is een tent”, zegt Abed. “Voor de ruimte hier, mag ik in één van voor ons geplande woondorpen een dunam grond kopen met elektriciteit en stromend water en ik krijg er werkeloosheid, misdaad, heroïnegebruik en prostitutie bij. Waarom? M'n vrouw weeft, de kinderen gaan naar school, we hebben elektriciteit van een generator.”

De GSM gaat. Nuri el Uqbi, de voorzitter van de Vereniging voor Steun en Verdediging van Bedoeïenenrechten in Beersheva vraagt of Abed, die voor 500 gulden per maand voor hem werkt, nog komt. Abed repareert de uitlaat van het bedrijfsautoje dat hij even later door het stuifzand over een met stenen bezaaid geitenpad voert, op weg naar Nuri. “We hebben geen adres, het heet hier gewoon Abu Kaf, mijn stam. Daar woont de stam Abu el Saher, onze buren”, en hij wijst in de glooiende verte. “Een stam die we sinds een moord in januari vijandig gezind zijn”.

Abed stopt de auto in een stoffig steegje in Beersheva. Op de binnenplaats slurpen vier gesluierde bedoeïenen mintthee. In een bouwvallig kantoor zit de 55-jarige Nuri, een moderne bedoeïen in een linnen broek, te praten met sjeik Sri Hahn. Hij is vandaag ongeveer 74 geworden. Hij heeft deze dag twee jaar geleden als zijn verjaardag gekozen.

De sjeik, die niet voor zijn plezier naar de stad komt, luistert naar Nuri. “Ik ga iets ergs zeggen”, fluistert Nuri en buigt voorover alsof hij een geheim wil vertellen. “De regering gedraagt zich als nazi's, die ariërs wilden. Israel wil alleen joden. Elke jood kan hier wonen en de steden die ze voor ons bouwen zouden voorzieningen hebben, maar tien jaar later is er nog geen afvoersysteem. Wij zijn de staat altijd loyaal geweest door in het leger te dienen. Door ons vijftig jaar lang te dwarsbomen hebben ze van ons een vijand gemáákt. Ze nemen ons land af, laten ons boetes betalen en stoppen ons in aparte steden. Net zoals joden bezittingen eisen van de Zwitsers, eisen wij ons land van de Israeliërs.”

“De afbraak van het huis uitstellen is het enige wat ik kan doen”, zegt de 36-jarige advocaat Yunis el Grinawi in zijn donkere kantoortje in Beersheva. “Ik kan winnen als er schriftelijk bewijs is - wat een enkele keer voorkomt.” Yunis, die in een hut in de woestijn is geboren bij de Elgernau-stam, ging naar de Hebreeuwse middelbare school en studeerde rechten in Londen. Hij zweeft tussen twee rechtssystemen. Het rationele, moderne, Hebreeuwstalige, 'westerse' systeem en het emotionele, ongeschreven systeem van eergevoel en wraak.

“Ik ben bedoeïen door mijn nomadische oorsprong en mijn tribale loyaliteit”, zegt Yunis. “Die weerhoudt mij ervan naar Beersheva te verhuizen. Ik heb in Londen gestudeerd, bracht vakanties door in Nederland en Duitsland en nu woon ik weer in m'n stam in Rahat, waar niets te beleven is. Ik kan geen vrouwen uitnodigen, dat is kwetsend voor mijn stamleden die in dezelfde buurt wonen.

“De generatie van mijn ouders leeft nog in de tijd dat bloedwraak een morele verplichting is. Als je geen bloedwraak pleegt, ben je zwak.” Tweederde van Yunis' cliënten is bedoeïen en Palestijn, eenderde joods. In de wachtkamer zitten zes bedoeïenen. Eén jongere die een auto heeft gestolen, een jongen van 27 die er met een vrouw vandoor is gegaan en vier oudere gesluierden die illegaal een huis hebben gebouwd. “Allemaal slachtoffers van de strijd tussen moderniteit en traditie. Rechters hebben per dag soms tachtig zaken over het afbreken van illegale huizen en er zijn advocaten die alleen cliënten hebben uit Rahat.”

Woestijnnormen

“Wees blij geen bedoeïenenvrouw te zijn in deze tijd”, glimlacht de sociaal werker Ger Alblaz en neemt een slok van zijn koffie verkeerd op een terras in Beersheva. Op tafel ligt de draagbare telefoon. Als directeur van de sociale dienst voor bedoeïenen moet hij bereikbaar zijn. “Haar waarde is een huwelijk of de dood. Vijf vrouwen zijn de afgelopen maand doodgestoken in de buurt van Rahat. Eén ongetrouwde vrouw was zwanger en twee waren als prostituees betrokken bij drugshandel. De drie anderen waren als getrouwde vrouwen verwikkeld in liefdesgeschiedenissen. De vader van de vrouw is zijn stam verplicht de dochter te vermoorden. Met de moord wordt zijn aangetaste eer hersteld.”

Er gaat niets boven eer, in de woestijncultuur. Aantasting van eer is het ergste wat een bedoeïen kan overkomen en bloedwraak is zijn sociale plicht. Dit brengt hem soms tot het ombrengen van zijn dochter, in het geval dat zij bijvoorbeeld als getrouwde vrouw met een man is gevlucht. Eer en wraakgevoelens moeten bedoeïnen in evenwicht houden in de woestijn waar geen overheid is en geen gevangenissen. 'Balans' en 'rechtvaardigheid' is in het arabisch hetzelfde woord, adl. Hoe zwakker het gezag - zoals bijvoorbeeld in de woondorpen - hoe gewelddadiger de 'woestijnnormen'. Elke bedoeïen kent de zinsnede 'een ieder die het bloed van een mens vergiet, weet dat hij gedood zal worden'.

“Het aantal doden als gevolg van eergevoelens, bloedwraak, is het laatste jaar toegenomen. Het rechtssysteem van de bedoeïenen disintegreert door het contact met het moderne Israel.” Albaz, die uit een familie met 22 kinderen uit drie moeders, weet precies hoe dit soort zaken afgehandeld worden. “De vrouw, die straf verdient, wordt door haar familie 'blootgesteld aan de zon', wat betekent dat ze vermoord kan worden. De woestijnzon symboliseert gevaar en de schaduw in de tent betekent bescherming.”

De telefoon gaat. “Gisteren zijn een man en een vrouw van verschillende stammen gevlucht naar een sjeik van een neutrale stam om bescherming te zoeken”, legt Ger uit na het gesprek. “Ze weten dat de vrouw gevaar loopt omdat ze haar gezin heeft verlaten. Nu belt haar vader om Ger te vragen hoe hij z'n dochter terug kan krijgen om haar te vermoorden. Er wordt zelfs sociale op ze uitgeoefend het te doen, het is een eer. De politie, die is geïnformeerd door de sjeik, heeft me ook al gebeld. Ik vrees dat de woestijnzon het van de schaduw wint.

“De bedoeïenen zijn, politiek gezien, nu nog onzichtbaar”, zegt de antropoloog Clinton Bailey terwijl hij een bekende bedoeïen passeert op de uitgestorven weg die door de Negev die naar Eilat voert. “Voor de Palestijnen en andere Arabieren zijn ze Israeliërs in het leger waar ze vaak als goede spoorzoekers gewond raken of sneuvelen. Voor de joodse Israeliërs blijven ze tweederangs burgers, die net als de Palestijns-arabische minderheid beter kunnen plaatsmaken voor joodse immigranten. Ze moeten hun vee opgeven en een vaste baan op de Israelische economie zoeken zodat elke nieuwe generatie meer lijkt op haar Israelische buren dan op de grootouders.”

In de verte, in de tent van de stam Abu Blaja, staat de tijd stil. Bijna niemand uit het moderne Israel van de shopping malls, de high-tech-industrie en de file-economie, weet dit beter dan Bailey, die al dertig jaar de bedoeïenencultuur bestudeerd, elke zandweg in de Negev kent, blindelings de tent van de stammen vindt en elke weggebruiker in de Negev, mits bedoeïen, herkent. Hij woonde bij bedoeïenen, schreef een boek over bedoeïenenpoëzie en schrijft nu over bedoeïenenrecht. Elke week reist hij naar de Negev om als een soort boodschapper van minister Sharon van Infrastructuur de bedoeïenen - die niet weten wat Likud is en Netanyahu op televisie nauwelijks herkennen - de plannen van de regering uit te leggen.

“Abu Blaja, is de meest primitieve stam. Het rondtrekken is hun verboden, maar verder laten zij nog zien hoe aartsvader Abraham woonde, hoe de Hebreeën door de woestijn trokken en waarom Joden matzes - het dagelijks brood van de bedoeïenen - eten met Pasen. Tijdens het Loofhuttenfeest (dat dit weekeinde wordt gevierd, red.) bouwen veel joden een suka (loofhut) in de tuin om de tijd in de Sinaï te herdenken, toen we bedoeïenen waren.”

Bailey is gespannen. Hij moet het slechte nieuws brengen dat Sharon een plaats voor hen heeft gekozen bij de weg. Hij is cynisch geworden. “Niemand vraagt of de haredim klaar zijn voor de volgende eeuw. Waarom worden 80.000 bedoeïenen in nederzettingen gestopt, terwijl 280.000 joden in de Negev in 114 dorpen en steden wonen?”

Alle mannen springen op als zijn auto vanuit de stofwolk tevoorschijn komt. De meesten zijn gesluierd en dragen een kalabiya. De voeten, met eeltplekken en scheuren, zien eruit alsof ze nooit geschoeid zijn. Het haar van de vrouwen, die in de andere tent vlees bereiden, krult vlassig onder sluiers vandaan, wangen zijn droog en de grove gerimpelde handen brengen bakken met vlees.

Er heerst doodse stilte als Bailey is uitgepraat. Sommigen turen van onder het tentdak over de golvende velden en slurpen mierzoete thee. Handen grijpen geruisloos in het lamsvlees dat voor het bezoek is bereid. Iemand komt langs met een bak water en zeep. “Wij zijn het leger hier toch niet tot last?”, doorbreekt een van hen de stilte. “Verhuizen naar de weg betekent vroeg of laat zijn dood”, zegt het stamhoofd Suelim en wijst naar Mohammed die blootsvoets op een kussen thee ligt te drinken. “Bloedwraak”, legt hij uit. “Zijn broer, Ibn Sagajra,die al vijf jaar in de gevangenis zit en gisteren vrij was om te trouwen, heeft iemand van een andere stam vermoord. Via rechtspraak willen we geldwraak, maar intussen is hij in levensgevaar. Hoe dichter we bij de weg wonen hoe gevaarlijker omdat we dan beter bereikbaar zijn.”

Een enkele bedoeïen is zelfs teruggekeerd naar het illegale tentleven. Zoals Aref Abu Rafia, professor anthropologie aan de Ben Gurion universiteit van de Negev in Beersheva. “Ik wil met de terugkeer naar mijn geboortedorp aantonen dat moderniteit en traditionaliteit samengaan. De regering doodt de schoonheid van het echte bedoeïenenleven door ze in steden te stoppen waar de traditionele levensstijl gewelddadig wordt. Zo'n woondorp is een vruchtbare bodem voor een opstand, een intifadah.

“Het religieuze fanatisme neemt toe en behalve het Knessetlid, de bedoeïen Taleb el Sanana van de Verenigde Arabische Partij, is er geen partij die onze belangen behartigt. De loyaliteit aan de stam belemmert bovendien politieke organisatie. Israel vindt dat we niet 'klaar zijn voor democratie' en heeft in de woondorpen sheiks benoemd die hun stam vertegenwoordigen en een joodse secretaris, penningmeester en burgemeester.

“De bedoeïenen hebben bijnamen zoals 'de afwezigen', 'illegalen', 'dieven', 'drugsdealers', 'autodieven' en 'prostitutuées. Sociale en economische frustraties brengen jongeren in contact met heroïne en met Palestijnen op de Westbank en Gaza. Maar onze kinderen groeien op als traditionele bedoeïenen en dat sluit goed onderwijs niet uit. Ik heb de helft van m'n studietijd in een tent bij kaarslicht gestudeerd en nu ben ik professor.”