Briefkaart uit Stubaier Alpen; Bergdansen

Het is een vreemde ervaring om een bergwandeling te maken met iemand die dat nog nooit heeft gedaan. Ik had speciaal een makkelijke wandeling uitgezocht, eentje die ik al eerder had gelopen.

De 'Rucksackroute' in Stubai in Oostenrijk heeft als voordeel dat je, mocht het pad te moeilijk blijken, van iedere hut kunt afdalen naar het dal. Niet alleen te moeilijk voor mijn wandelgenoot overigens, ook voor mijzelf. Ik had alweer een tijdje niet gelopen en sinds ik een gezin heb, ben ik een stuk banger geworden. 't Is allemaal prachtig die bergen, maar je kunt er ook van een allemachtige hoogte naar beneden pletteren en daar zit bij ons thuis niemand op te wachten.

Wat dat betreft begon de tocht goed. Meteen op de tweede dag kwamen we drie gedenkbordjes tegen met de mededeling: 'Hier is die en die op die dag naar beneden gestort.' Twee keer ging het om oudere mannen en één keer om een jonge jongen, maar alledrie waren ze gelukkig in het begin van de zomer verongelukt, als er in de Alpen nog veel sneeuw ligt. “Zonder sneeuw is de kans op ongelukken veel kleiner”, zei ik tegen mijn vriend, die me graag geloofde.

Maar dit bleek toch niet helemaal juist. De volgende avond zaten we in de hut naast een bedrukt gezelschap Duitsers. Die middag hadden ze een ploeggenoot verloren - een vrouw van 55, die opeens, zomaar op een makkelijk stuk pad, naar beneden was gevallen. Dood. De stemming van het Duitse gezelschap stond in schril contrast met een groep Nederlanders die in het lokaal ernaast, met z'n tienen, liedjes zaten te brullen als 'Het was een nacht' en 'Op de grote stille heide'. Zingende Duitsers en Oostenrijkers zijn in berghutten een veelvoorkomend verschijnsel, zingende Nederlanders gelukkig niet. Dat zij 'Op de grote, stille heide' zongen maakte het geheel nog wezenlozer, want buiten de recreatieruimte van bejaardenhuizen kom je dat lied toch zelden meer tegen.

Maar goed, wat het vooral zo vreemd maakte om met een onervaren reisgenoot een bergwandeling te maken, was de ontdekking dat er bij lopen toch meer techniek komt kijken dan ik me bewust was. Toen we in Innsbruck uit de trein stapten, hadden we het hier even over gehad. “Over lopen valt niet meer te zeggen dan dat je steeds je ene voet voor de andere zet”, had ik gezegd. “Omdat dit in de bergen nogal veel aandacht vergt heb je geen tijd om aan iets anders te denken en juist dat is een van de grote genoegens van bergwandelen.”

“O ja”, voegde ik er nog aan toe, “voeten plat, recht en stevig neerzetten, en niet op wortels en takken en zo.”

In de praktijk bleek deze toelichting te beknopt. Vooral in de afdalingen was ik aanvankelijk veel sneller, terwijl mijn vriend veel fitter was. En dus wijdde ik hem in in de geheimen van de ritmewisseling en de bergdans.

Beide technieken werken alleen op kleine stukjes. Gaat het pad een klein beetje omhoog, dan neem je een korte sprint. Op het rechte stuk kom je vervolgens weer op adem. Gaat het pad een kort stuk niet al te steil omlaag, dan zak je door je knieën, je maakt je licht en je springt of danst naar beneden, als een jonge berggeit.

Er bleek nog veel meer te leren, bijvoorbeeld dat je op steile stukken of bij sneeuw je wandelstok aan de bergkant neerplant, want als je uitglijdt kun je zo beter remmen. Ik kon dus even de ervaren bergwandelaar uithangen, maar lang duurde dat niet, want dit soort techniekjes heb je zo onder de knie en daarna komt het voornamelijk op conditie aan. Lang bleef ook de inhoud van de rugzak onderwerp van gesprek. Ik sjouw al een half leven met rugzakken maar nog altijd neem ik te veel mee.

Een mooie bijdrage van mijn vriend was een zaktelefoon. In de bergen geeft zo'n ding een groot gevoel van veiligheid. En dus hebben we, dankzij god weet wat voor Oostenrijkse straalverbindingen, verschillende keren vanaf de top van een berg naar huis gebeld. Je voelt je op zo'n moment de hoofdpersoon in een belachelijke telecomreclame, en je kijkt natuurlijk even goed om je heen of er geen andere wandelaars zijn, maar het werkt wel als een tierelier.

Dat wil zeggen: voor mijn vriend. Ik heb vijf keer trots naar huis gebeld, maar twee keer was er niemand thuis, één keer kreeg ik de oppas en twee keer was de lijn langdurig bezet. Voor intensief contact met je geliefden kun je dus beter thuisblijven. Dat verkleint ook aanzienlijk de kans op blaren, pijnlijke knieën en een beurse rug.