Amerikaanse interesse in zakelijke markt; Amerikaanse miljarden gaan aan PTT's voorbij

Wanneer zullen Amerikaanse telefoonmaatschappijen op de stoep staan om miljarden te bieden op Europese branchegenoten? Voorlopig niet, want de telecommarkt in de Europese Unie ligt nog mijlen achter.

ROTTERDAM, 18 OKT. Bij de miljardendans rond de aandelen van de telefoonmaatschappij MCI mijmert menig aandeelhouder van KPN weg. Wanneer de rust in het Amerikaanse telecomlandschap weer terugkeert, is wellicht PTT Telecom aan de beurt om een niet te versmaden bod in ontvangst te nemen.

Op het eerste oog zijn de kansen voor de Nederlandse telefoonmaatschappij prima: een efficiënt telecomconcern, gezegend met een internationaal georiënteerde thuismarkt. Welke Amerikaan heeft daar geen geld voor over?

Toch is een Amerikaanse klop op de deur niet erg realistisch, nog afgezien van formele belemmeringen zoals 'het gouden aandeel' van de overheid. In de meeste Europese landen is het liberalisatieproces nog in volle gang, waardoor van een normale markt geen sprake is. Al heel wat Amerikaanse bedrijven hebben hierop hun tanden stukgebeten.

In bijna heel Europa beschikt de oude monopolist nog over een dominante positie in de gewone telefonie voor de burger. Negen van de tien Britten belt vanuit huis nog steeds gewoon met British Telecom, ondanks de liberalisering uit de jaren tachtig. In Amerika is AT&T marktleider in de particuliere telefoniemarkt voor interlokaal verkeer, maar MCI en Sprint zijn hierin wel geduchte concurrenten.

Voor de onderontwikkelde, particuliere markt in Europa hebben bedrijven als het Amerikaanse Worldcom geen belangstelling. In hun eigen land proberen de grote Amerikaanse telefoonmaatschappijen eerst greep te krijgen op de (particuliere) markt voor lokale telefoongesprekken, en dat is al moeilijk genoeg. Het monopolie op dat segment van de telecommarkt is weliswaar onlangs opgeheven, maar de lage tarieven (meestal een vast bedrag per maand) van de kleine maatschappijen, de zogeheten 'Baby Bells', en de afwezigheid van eigen infrastructuur schrikken de grote concerns af.

Veel meer belangstelling hebben de Amerikaanse bedrijven voor de zakelijke telecommarkt in Europa, waar de omzetten hoger zijn en de wetgeving minder belemmerend. Het gaat hierbij vooral om de internationale telefonie en om de toegevoegde diensten. Een voorbeeld van dat laatste is het aanbieden van huurlijnen voor dataverkeer.

Op die markten vindt al stevige concurrentie plaats en in bepaalde segmenten, zoals de huurlijnen, is PTT Telecom zijn dominantie zelfs kwijt. Gezien de kracht van de internationale concurrentie is het aannemelijk dat het marktaandeel van PTT Telecom verder zal teruglopen.

Wanneer Europa als één markt wordt gezien, onstaat min of meer dezelfde marktsituatie als een paar jaar geleden in de Verenigde Staten. Hierbij zijn de verschillende landen in Europa te vergelijken met de verschillende staten in Amerika. Binnen zoAÀn staat of land heeft de lokale (of nationale) marktpartij een dominante positie wat betreft het normale telefoonverkeer en Internet. De mogelijkheden voor de concurrentie zitten vooral in het internationale (in VS interlokale) telefoonverkeer en in de toegevoegde diensten.

In een dergelijke concurrentieslag is de nationale PTT in het nadeel. Terwijl spelers als MCI, Enertel (kabelbedrijven) en Telfort (NS en British Telecom) de krenten uit de pap halen, is de PTT verplicht elke klant aan een aansluiting te helpen. Dat geldt bijvoorbeeld ook voor de particulier die wekelijks twee telefoontjes doet uitgaan. Het gezin wordt pas echt interessant, wanneer er druk over de grens wordt gebeld of veel gesurft wordt op Internet. Op een miljardenbod uit Amerika hoeft de aandeelhouder van KPN dus niet te rekenen. Op concurrentie uit dat land wel.